Stelligheid ontbreekt in zaak-Lucia de B.

De eerste fase van het hoger beroep in de zaak tegen Lucia de B. werd deze week afgesloten. Na de getuigenissen van medici en statistici zijn nog geen conclusies te trekken.

Amber Zuiderwijk ligt dwars op het ziekenhuisbed. Ze heeft een grauw gezicht, ze ademt niet en haar hart staat stil. Het is 4 september 2001, iets na drie uur 's ochtends in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag. Het reanimatieteam van het ziekenhuis probeert alles om de bijna zes maanden oude baby te redden. De langdurige strijd is tevergeefs. Amber sterft. Onderzoek op het lichaam wijst later uit dat haar een of meer giftige doses digoxine zijn toegediend.

Haar dood leidde eind 2001 tot de arrestatie van verpleegster Lucia de B. Zij werd beschuldigd van de moord op Amber en nog twaalf andere patiënten, en poging tot moord op vijf patiënten, nadat politieonderzoek uitwees dat tussen 1997 en 2001, tijdens of vlak na diensten van de verpleegster in vier verschillende ziekenhuizen uitzonderlijk veel overlijdensgevallen en reanimaties plaatshadden.

De rechtbank achtte in eerste aanleg vier moorden (waaronder op Amber) en drie pogingen tot moord bewezen en veroordeelde De B. tot levenslang. Zowel het openbaar ministerie (OM) als De B., die de beschuldigingen ontkent, ging in hoger beroep. Dit beroep dient sinds eind januari voor het gerechtshof Den Haag. Het einde hiervan komt nu in zicht. Deze week sloot het hof het feitenonderzoek af.

De laatste drie dagen besteedde het hof grotendeels aan de periode dat De B. in het Juliana Kinderziekenhuis werkte. In een meer dan twee dagen durend verhoor vroegen zij De B. per patiënt naar haar herinneringen, namen zij soms van minuut tot minuut het verloop van de `incidenten' door, en hielden zij de verdachte belastende verklaringen van collega's, artsen en deskundigen voor.

Fluisterend, nauwelijks hoorbaar, vertelde verpleegster Lucia de B. wat er de nacht dat Amber stierf gebeurde. Toen zij de avonddienst overnam vond zij Amber er al niet zo lekker uitzien. Uit voorzorg sloot ze haar aan op de hart- en ademhalingsmonitor. Ze had net drie dagen daarvoor bij een van haar andere patiënten een reanimatie doorgemaakt, en de schrik zat haar nog in de benen. Plotseling ging het fout met Amber. De B. had net haar luier verschoond toen ze ,,een soort aanval'' kreeg . ,,Alles ging compleet mis.''

Vond zij het zelf niet raar, vroeg het hof keer op keer, dat zij zoveel incidenten binnen elf diensten zelfs twee sterfgevallen en een langdurige reanimatie meemaakte? Natuurlijk, antwoordde De B. ,,Ik dacht, wat gebeurt hier nou, dit kan toch niet?'' Ze vond het verschrikkelijk, en ging zelfs op aandringen van de ziekenhuisdirectie naar een maatschappelijk werker. Maar volgens collega's zocht ze juist al die ernstig zieke kinderen op. Waarom deed ze dat? Dat was niet zo, bezwoer De B. Ze was ,,echt goed'' met kinderen die `complexe zorg' nodig hadden, en kreeg ze daarom, soms tegen haar zin, toegewezen.

Dat was overigens de reactie van De B. op de meeste getuigenissen van collega's: onbegrijpelijk dat ze dat over haar zeiden. Dat ze soms volgens hen na incidenten helemaal de weg kwijt was en raar (,,als een zombie'') reageerde, kon ze zich niet meer herinneren. Ja, ze was aangeslagen, maar dat was toch normaal? Het klopte niet dat ze gezegd zou hebben dat kinderen zich bij haar zo op hun gemak voelden dat ze konden sterven. Dat ze tijdens reddingspogingen niet altijd professioneel handelde klopte ook niet. Ze kon of mocht gewoon niets doen.

Waarom waren de aantekeningen van De B. in het verpleegkundigenverslag in de aanloop naar en na afloop van reanimaties of sterfgevallen vaak onvolledig of geheel afwezig? De B. wist het ook niet. Het was in ieder geval niet bewust gebeurd. Ze was er soms gewoon niet aan toegekomen, misschien omdat ze ervan uitging dat een collega het zou doen. Maar misschien ook doordat zij als gevolg van de incidenten van slag was. Het was het hof opgevallen dat De B. na een incident vaak ziek of vrij was. Hoe kwam dat? De B. wist het niet.

Ook haar dagboeken kwamen weer aan de orde. Telkens zei Lucia dat aan de aantekeningen geen ,,werkelijkheidswaarde'' moest worden toegekend. Sommige verhalen, die rechter Von Brucken Fock ,,te gruwelijk om voor te lezen'' noemde, waren volgens De B. niet meer dan vingeroefeningen, ze wilde een boek schrijven over haar leven. Klinisch psycholoog Derksen, een door het hof aangetrokken deskundige, ondersteunde deze stelling. Als je niet weet onder welke condities iemand aantekeningen maakt, kan je er geen conclusies uit trekken, verklaarde Derksen.

Kon ze dan zelf een verklaring verzinnen voor haar betrokkenheid bij al die incidenten, wilde het hof uiteindelijk weten. Had ze misschien fouten gemaakt, had ze meer dan anderen te maken met ernstig zieke kinderen, had zij bovengemiddeld veel moeilijke diensten? De B. antwoordde na enig nadenken op alle vragen ontkennend. Ja, natuurlijk was het bizar, maar een verklaring had ze niet.

Voor het antwoord op die vraag richtte het hof zich ook op medici, psychologen, psychiaters en niet te vergeten statistici, die voor het hof het omvangrijke dossier onderzochten. Maar waar het hof naar duidelijke verklaringen zocht, kreeg het vooral waarschijnlijkheden voorgelegd.

Symptomatisch leek het verhoor van hoogleraar interne geneeskunde Van

Furth, die op verzoek van het hof een deel van het medisch dossier doorspitte. Na een lange discussie met het hof riep Van Furth uit: ,,U zult het als jurist vervelend vinden, maar de medische werkelijkheid is niet sluitend. Het is niet altijd ja of nee.''

Bij het zoeken naar antwoorden stuitte Van Furth ook nog op de onvolledigheid van een aantal medische dossiers. Dat lag trouwens niet alleen aan Lucia. Deskundige Van Furth noemde de toestand van de dossiers in het algemeen ,,ronduit abominabel'', waar hij aan toevoegde dat zulks bij veel ziekenhuizen voorkomt.

Zo bleef er onduidelijkheid over de toedracht van de verdachte sterfgevallen, ook gezien het ontbreken van direct bewijs. In bijna alle gevallen waren de medisch deskundigen het erover eens dat er sprake was van onverwacht, en vaak onverklaarbaar overlijden. Ze lieten het hof achter met de vraag hoe het dan wel was gebeurd. In bijna geen enkel geval was er na de dood onderzoek op het lichaam verricht. Maar ook in de gevallen waarin dat onderzoek wel plaatshad, zoals bij Amber Zuiderwijk, leidde dat niet tot stellige conclusies. Ze was zonder twijfel met digoxine vergiftigd, maar of ze aan de vergiftiging overleden was, en hoe dat dan gebeurd moest zijn, daar kon de geraadpleegde toxicoloog niets over zeggen.

Het hof moet nu zelf op zoek naar een verklaring. Hoe zijn de `onverwachte en onverklaarbare' sterfgevallen en reanimaties tot stand gekomen? En heeft Lucia de B. daar iets mee te maken?

Op 18 mei wordt de zaak hervat en op 18 juni doet het hof uitspraak.