Prinselijke pronkerwt

Een mooie zomerdag, lekker fietsen op de Utrechtse Heuvelrug. En dan opeens een muur waarboven lathyrus deint, de heerlijk geurende pronkerwt. Van wie zijn die mooie bloemen?

Mijn eerste zomer in Baarn en ik trek er met de fiets op uit om de omgeving te verkennen. Het is een warme zomerdag in juni 1980, de zon spat werkelijk door de blaadjes heen en ik rij door prachtige schaduwbossen afgewisseld met zonnige weilanden, wanneer ik plotseling een muur zie waarboven schitterende lathyrus deint, als pastelkleurige vlinders in een strakblauwe lucht.

Lathyrus is mijn lievelingsbloem omdat ik die altijd op mijn verjaardag krijg van mijn moeder. Ik realiseer me ineens dat ik ze dit jaar gemist heb – een week geleden vierde ik mijn verjaardag in New York, maar daar zijn alsnog mijn bloemen! En zoveel en zo weelderig heb ik ze nog nooit gezien. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn gêne – ik móét die tuin zien! Ik zet mijn fiets tegen de muur, klim behoedzaam op het zadel en kan dan net over de rand kijken.

Ik zie een gigantische tuin met prachtige planten en schitterende bloemen. Achterin zijn twee tuinlieden aan het werk en vlak onder mij, tussen de bloemen staat koningin Juliana! Aan haar voeten een mand, al half gevuld en in haar hand een schaar. Ze lijkt te aarzelen welke bloem te plukken. Ze draagt een lichte zomerse jurk met driekwart mouwen en groen-witte tuinhandschoenen, nonchalant krullend haar en een Ray-Ban zonnebril – zou die van Bernhard zijn?

Het staat haar goed, ze ziet er zoveel mooier uit dan ik van haar foto's gewend ben – ik hou mijn adem in.

Ze moet iets gemerkt hebben want ze kijkt verschrikt op.

,,Neemt u mij niet kwalijk, ik wilde u niet laten schrikken'', stotter ik. ,,Maar ik zag die mooie lathyrus. Het is m'n lievelingsbloem en ik wilde... ik bedoel... ik wist niet dat dit uw tuin is.''

De koningin ontspant, ze glimlacht, zet haar bril af en kijkt mij aan, haar hoofd een tikje schuin terwijl ze zegt: ,,Dank u wel. Weet u, het zijn ook mijn lievelingsbloemen.''

Het is een wonderlijke situatie: Juliana die naar mij opkijkt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En op dat moment herken ik mijn moeder in haar. Ik wil nog iets zeggen, eigenlijk zou ik een praatje willen maken, maar de twee mannen hebben mij nu ook ontdekt en komen onze kant op.

Ik realiseer me dat ik iets onbehoorlijks doe en haast me om me uit de voeten te maken. Ik schaaf mijn kin en kom met een plof weer met beide benen op de grond. Wát een ontmoeting, vanavond even m'n moeder bellen.