Politiek is in Servië de plek om rijk te worden

Servië is het land van de corruptie geworden: elke dag een nieuw schandaal. Corruptiebestrijder Lalic: ,,Hier chanteert iedereen iedereen.''

,,Corruptie is bij jullie een griep. Hier is het een kanker.'' Ivan Lalic is dramaturg en oud-directeur van het Nationaal Theater in Novi Sad, in de Vojvodina. Maar nu is hij vooral vice-voorzitter van de anticorruptiecommissie. Corruptiebestrijder in een land dat doordesemd is van corruptie. Een kanker: niemand die bij de bank, de politie, het restaurant, het ziekenhuis, het onderwijs, de overheid iets gedaan krijgt zonder bij te betalen. ,,Het is zo gewoon dat de mensen niet eens meer merken dat het corruptie is.''

Maar het is niet die kleine, alledaagse corruptie die Lalic met zijn commissie wil aanpakken: het zijn vooral de grote zaken, de miljoenenfraudes, de omgekochte ministers, de stiekeme deals, de geheime banden.

Servië heeft, vooral na de moord op premier Zoran Djindjic een jaar geleden, volledig in het teken gestaan van de grote corruptie. Een minister die eigenaar bleek te zijn van tientallen bedrijven die allemaal dure spullen aan de overheid leverden. Frauduleuze stemmingen in het parlement. Ministers met banden met de maffia of louche zakenlieden. Iedereen die het weet. ,,Hier chanteert iedereen iedereen'', zegt Lalic. Servië was een land waar een minister de eigen stroomproductie kan stilleggen omdat een vriendje in Londen Servië van veel duurdere stroom kan voorzien. Geen dag zonder nieuw schandaal, in 2003. En dat zijn dan de democraten – onder Miloševic was het nog veel erger.

De straf van de kiezers kwam in december, toen ze uit louter desillusie massaal op de extremistische Servische Radicale Partij stemden. Het kostte de democraten vervolgens twee maanden om een regering in elkaar te timmeren, die niet alleen geen meerderheid heeft en aangewezen is op de steun van de socialisten van Miloševic, maar die ook elke cohesie ontbeert, een regering vol ministers en partijen die niet in een regering thuis horen, een wrak, al bij de tewaterlating.

De anticorruptiecommissie van Ivan Lalic – een lange, slanke man met sluik haar en kleine oogjes achter een bril – werd in 2001 opgericht, ,,toen de situatie idyllisch was'', want Djindjic, zegt Lalic, wilde optreden tegen de corruptie. ,,Hij wilde de grote gevallen aanpakken in de hoop dat die als vallende dominostenen de andere aan het licht zouden brengen.'' De commissie bestond uit experts op verschillende gebieden, artsen, criminologen, juristen, schrijvers, en viel onder minister van Financiën Djelic.

Al snel veranderde de sfeer. De regering van Zoran Djindjic, zegt Lalic, telde een aantal fatsoenlijke ministers, maar ook een aantal onfatsoenlijke. ,,Een minister kan niet van zijn salaris leven. Maar hij is in de ideale situatie om bij te verdienen door contracten uit te delen aan zakenlieden die hem betalen. Politiek is hier de plek om rijk te worden. Nu zien onze tycoons eruit als Russische tycoons. We wilden wetten, we wilden een wet op de financiering van politieke partijen, een wet op de belangenverstrengeling. We openden een bureau waar burgers terecht konden, met hun klachten, aandeelhouders wier belangen niet werden beschermd.''

Al snel, zegt Lalic, bleek men ons vooral als window dressing, als alibi, te zien. Na de moord op Djindjic ging het roer om: zijn opvolger Zoran ˇZivkovic dacht heel anders over corruptiebestrijding. Ontslaan kon hij de corruptiebestrijders niet. Hij kon hen wel pesten. Hij kon obstakels opwerpen. Hij onttrok de commissie aan de minister van Financiën en plaatste haar onder zijn eigen supervisie. Hij ontnam de commissie haar budget. ,,We werken voor niks, in een kantoor van tien vierkante meter'', zegt Lalic. Hij misbruikte de media – Servië is een land zonder kwaliteitsmedia – om de corruptiebestrijders in diskrediet te brengen. Hij vernederde hen. Toen onlangs een suikerschandaal losbarstte – de zakenman Miodrag Kostic, alias Kole, kocht drie suikerfabrieken van de overheid voor drie euro per stuk en gebruikte ze vervolgens als dekmantel voor suikersmokkel – `onderzocht' de regering het, kwam tot de conclusie dat er niks loos was en presenteerde die conclusies aan de media, in aanwezigheid van de anticorruptiecommissie én de lachende hoofdverdachte, Miodrag Kostic, de louche suikerbaas.

In augustus vorig jaar, vijf maanden na de moord op Djindjic, gaven de leden van de anticorruptiecommissie het op: ze zagen geen politieke wil meer om de corruptie daadwerkelijk te bestrijden. Lalic: ,,We zijn uiteindelijk toch gebleven. Het is makkelijk weg te lopen, maar wij zijn het enige adres in het systeem. In Servië bestaan geen onafhankelijke instanties, zelfs het Hooggerechtshof is niet onafhankelijk. Wij zijn de enige.''

Of de nieuwe regering, die van Vojislav Koštunica, daadkrachtiger is dan de vorige, is de vraag. Lalic: ,,Ze zal de fouten van de vorige regering niet herhalen. Ze kan zich dat niet permitteren.'' De commissie, zegt hij, heeft de corruptie uit de schaduw gehaald. ,,De corruptie is zichtbaar geworden. Ze kan niet meer worden genegeerd. De regering kan niet meer doen alsof er niets aan de hand is. Ze kan ons ook niet kwijt. Wij staan niet te springen om dit werk, maar ons ontslaan is politiek veel te duur'', zegt Ivan Lalic.

De commissie heeft inmiddels een nieuwe procedure vastgesteld: klachten over corruptie worden doorgegeven aan de regering; als die niet binnen zeven dagen antwoordt, gaat de commissie met de klachten naar de pers. Niet iedereen stelt die werkwijze op prijs, want de commissie gaat op de stoel van de politie zitten, en op die van de openbare aanklager, zo zeggen sommigen, maar Lalic vindt het de enige manier.

Hij begint weer aan toneel te denken. Inspiratie genoeg. Zijn nieuwe toneelstuk is net klaar, zegt hij, het gaat over een journalist, een agent van de geheime politie en een theaterdirecteur die elke week samenkomen om te gokken. Ze gokken om geld. Maar na een tijd gaat dat vervelen – daarna gokken ze om geheimen. Wie verliest moet een geheim verklappen. ,,Een metafoor'', zegt Lalic. ,,Maar wel een die werkelijkheid kon zijn, in dit land.''