Minkoppeling op komst?

In de tweede helft van de jaren negentig wekte ons land buiten de grenzen alom bewondering. Een bovengemiddelde productiegroei joeg destijds het werkloosheidscijfer omlaag en hielp de minister van Financiën bij de noodzakelijke sanering van de overheidsfinanciën. Ondanks die ijzersterke uitgangspositie had Nederland vanaf 2001 veel meer last van de hapering in de wereldeconomie dan de meeste andere industrielanden. Afgelopen maandag publiceerde het Centraal Planbureau cijfers, die illustreren dat het economische polderwonder in luttele jaren is verkeerd in een nachtmerrie. In de gouden jaren groeide onze productie ieder jaar 1 procent sneller dan in de overige eurolanden, nu elk jaar bijna 1 procent langzamer. Hoe kon het zo ver komen?

Het Planbureau wijst op de usual suspects. Voornaamste verdachten zijn de oplopende loonkosten, de duurdere euro – maar daar hebben alle landen uit de eurozone last van – en de samenstelling van het uitvoerpakket, waardoor vaderlandse ondernemingen steeds meer terrein verliezen aan buitenlandse concurrenten. Dat verklaart ook waarom onze exporteurs op dit moment nog nauwelijks weten te profiteren van de opbloei van de wereldeconomie. Niet alleen de verkopen aan het buitenland stagneren. In de winkels blijft het stil, omdat bezorgde consumenten de hand op de knip houden. Bestellingen door het bedrijfsleven van nieuwe machines en gebouwen lopen nog steeds terug.

De nationale trog wordt niet voller, maar het aantal inkomenstrekkers neemt toe. Dit maakt de spoeling dunner. Afgelopen jaar kromp de koopkracht met ruim 1 procent, dit jaar regeert de nullijn en volgend jaar brokkelt de bestedingsruimte weer met 0,5 procent af. Het gaat hier om gemiddelden voor de hele bevolking. De spreiding rondom het gemiddelde is groot en neemt toe. Aan de top van het bedrijfsleven gaan de salarissen in veel gevallen met procenten in de dubbele cijfers omhoog. De afvloeiingsregeling is vaak riant. Tegelijk zien modale werkers, die hun baan verliezen, hun inkomen kelderen.

Door de trage groei van de bedrijvigheid verdubbelt de werkloosheid binnen vier jaar tot 7 procent van de beroepsbevolking. Gevolg: de economisch actieven moeten veel meer inactieven ondersteunen. In 2001 onderhielden elke honderd werkenden 66 uitkeringsontvangers. Volgend jaar hebben zij 72 mensen met een uitkering tot hun last. Volgens de letter van de wet mogen de uitkeringen in dit geval volledig worden losgekoppeld van de CAO-lonen. Omdat die het komend jaar nauwelijks stijgen, levert zo'n ontkoppeling weinig op. Bij de jacht op miljardenbezuinigingen zou het kabinet noodgedwongen wel eens kunnen kiezen voor de `minkoppeling'. Daarbij worden de bruto-uitkeringen met een aantal euro's per maand verlaagd. Dat is sinds 1984 (toen de uitkeringen eenmalig met 3 procent zijn gekort) niet meer vertoond. Maar het is ook lang geleden dat de nationale economie zo in de put zat. Veel Nederlanders denken dat het wel meevalt. Dat het crisisbesef niet wijdverbreid is, schrijft het Planbureau toe aan de tot nu toe meevallende stijging van de werkloosheid, het betrekkelijk bescheiden koopkrachtverlies en

de huizenprijzen, die nog steeds oplopen onder invloed van groeiende tekorten op de woningmarkt en de lage rente.

Door aanhoudende tekorten en de geringe economische groei loopt de schuld van de overheid op van ruim 52 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2002 tot 58 procent van het bbp in 2005. Hiermee dreigt Nederland niet alleen de euronorm voor het tekort (3 procent bbp) maar ook de norm voor de overheidsschuld (60 procent bbp) te schenden. De stijging van de schuld binnen drie jaar met 42 miljard euro is slecht nieuws voor de baby bust generaties. Zij zullen hoofdzakelijk voor de hogere rentelasten en toekomstige aflossing opdraaien. Het kabinet poogt jongere jaargangen weliswaar te paaien door ze de worst van een levensloopregeling voor te houden, maar die nieuwe faciliteit stelt op de keper beschouwd weinig voor. Bij het huidige beleid neemt de herverdeling ten gunste van de gezeten generaties verder toe. Zoiets kan lang verborgen blijven, omdat beleidsmakers ervoor terugdeinzen de intergenerationele herverdeling als gevolg van allerlei overheidsmaatregelen zichtbaar te maken. Op een dag wordt dit type herverdeling door de jongere generaties echter herkend en niet langer gepikt.

De aanwas van de overheidsschuld is de bittere erfenis van het tweede kabinet-Kok (1998-2002), dat de overheidsfinanciën heeft verzwakt door een omvangrijke lastenverlichting bij gelegenheid van de belastingherziening 2001. Bovendien zijn de overheidsuitgaven in 2001 en 2002 veel sterker gestegen dan eerder was geraamd. Volgens de Zalmnorm mochten de voor inflatie gecorrigeerde overheidsuitgaven in 2001 en 2002 stijgen met in totaal 4 miljard euro. In feite zijn de reële overheidsuitgaven in die jaren met 11 miljard euro toegenomen. In twee jaar tijd is dus 7 miljard euro extra uitgegeven, via posten die buiten het raamwerk van Zalm vielen. Een plafond met zulke gaten is rijp voor de stucadoor, ook al kan een aangeheeld plafond in slechte tijden de minkoppeling niet tegenhouden.