De prijs van recht 1

Recht is een groot goed, maar we ervaren ook juridisering en hoge kosten. Als NRC Handelsblad (20 maart, voorpagina) op basis van een schatting van mij kopt dat Nederlandse bedrijven 8 à 9 miljard euro per jaar aan `juristerij' uitgeven, dan ontstaan daarover makkelijk misverstanden.

Nederland gaf in 2001 ongeveer 3 miljard euro uit aan ingehuurde juridische dienstverlening, zoals advocaten, en 650 miljoen aan de rechterlijke macht. Daarnaast hebben veel organisaties juristen in dienst. Juristen leggen contracten en andere rechtsverhoudingen vast, helpen bij handhaving van regels en bij het oplossen van geschillen. Geen probleem, zou je zeggen, want vraag naar recht en aanbod reguleren zichzelf.

Maar juristen bezorgen anderen werk. Zij vragen naar veel feiten om regels te kunnen toepassen. Bij hun eigen klant, maar vooral ook bij hun tegenpartij veroorzaken zij kosten. Recht toepassen vreet tijd, personeelslasten en kosten van deskundigen. Daarom, en vanwege het kapitaal dat stilligt zolang procedures lopen, schatte ik de totale lasten van toegang tot het recht in Nederland op 8 tot 9 miljard. Nederlandse bedrijven dragen daarvan een gedeelte, maar voelen daarnaast de hoge juridische kosten in andere (met name de Anglosaksische) landen.

Mijn schatting overlapt deels met de administratieve lasten, die onlangs door Financiën zijn gemeten op 17 miljard euro. Dat zijn de kosten van bedrijven om te voldoen aan regels die verplichten om informatie te geven. Daar zijn gelukkig niet altijd juristen voor nodig. Het gaat om veel geld op een markt voor recht, die niet goed werkt. Want juristen houden elkaar en ons allemaal bezig. Waar ze zich per uur laten betalen, zijn er weinig prikkels tot efficiëntie in een markt die toch al monopolie-elementen heeft. Alles bij elkaar genoeg reden tot zorg.