Bellen

Hierbij de notities van verslaggever F.A. te Den Haag over zijn laatste ervaringen met de stiltecompartimenten van de Nederlandse treinen:

Ik zit hier in de intercity naar Amsterdam. De trein kan voorlopig niet vertrekken omdat er problemen zijn met de deuren. Op de wanden zijn pictogrammen aangebracht, voorstellende een vinger tegen een lip en een streep door een mobiele telefoon.

Toch zit onder zo'n pictogram een jonge, goedgeklede man luidkeels te bellen. Het gaat over de wederzijdse vakantieplannen. De een legt aan de ander uit wat de voor- en nadelen zijn van bepaalde plekken waar de een is geweest en de ander niet, of andersom.

Nu staat even verderop een oudere dame op. Zij buigt zich half over de beller heen en wijst hem op het pictogram. ,,Wilt u ermee ophouden, meneer, bellen is hier niet toegestaan.''

De beller kijkt verbaasd op en volgt met zijn ogen haar wijzende hand. ,,God, dat had ik niet gezien'', zegt hij.

De dame keert voldaan terug naar haar plaats en de beller zegt tegen zijn belgenoot: ,,Ik mag hier eigenlijk niet bellen.'' Vervolgens zet hij het gesprek voort, weliswaar op zachtere toon, maar toch nog uitstekend verstaanbaar.

Nu staat er een wat jongere dame achter mij op die tegen de beller roept: ,,U moet ophouden, meneer, u heeft toch gehoord wat die mevrouw u vroeg.''

De beller kijkt verbouwereerd opzij.

,,Ja, ik bedoel ú'', gaat de vrouw verder, ,,ik vind dit zulk onbeschoft gedrag, u moest zich schamen.''

,,Mevrouw, ik had die plaatjes helemaal niet gezien.''

,,Dat doet er niet toe. Iemand vraagt u ermee op te houden en u gaat tóch door'', zegt de dame die van boosheid steeds harder gaat roepen.

Enkele plaatsen verder schreeuwt een man: ,,Stilte!''

En, zowaar, het lijkt even of er voor enkele minuten een toestand is ingetreden die je in communicatief opzicht geluidloos zou kunnen noemen. Zelfs de beller heeft zijn telefoontje beëindigd en zit enigszins mokkend een krant te lezen. Maar dan horen we, helemaal achterin het compartiment, iets wat onmiskenbaar een menselijk stemgeluid is, opnieuw van een man, en dit monotone, bijna zoemende geluid zwelt langzaam aan, tot wij beseffen dat wij opnieuw zitten te luisteren naar een beller, ditmaal iemand die in dienst van een klassiek orkest werkt, misschien wel een lid van de directie, want hij overlegt over de bezetting van het orkest en de data en de plaatsen waarop het orkest het oor van de liefhebber zal plezieren.

Het moet een veelgevraagd orkest zijn, want er komt geen einde aan. Om mij heen ontstaat opnieuw onrust. De gewaarschuwde beller kijkt triomfantelijk van zijn krant op. De twee dames staan op. Zij kijken elkaar aan. Zullen zij zich op de orkestdirecteur gaan storten? Wordt dit de eerste moord in een eersteklas compartiment van een Nederlandse trein?

Helaas, wij zullen het nooit weten, want nu horen wij de conducteur omroepen, dat deze trein wegens een technisch mankement zal uitvallen.

Er valt een oorverdovende stilte.