Witte Huis onderschatte terrorisme

De regeringen-Clinton en -Bush hebben onvoldoende maatregelen genomen om terrorisme te voorkomen. Zij beschikten over te weinig inlichtingen en probeerden te lang Osama bin Laden langs diplomatieke weg uit te schakelen.

Dat is een van de belangrijkste punten van kritiek van de onafhankelijke commissie, ingesteld door het Amerikaanse Congres, die onderzoek doet naar de aanslagen in 2001. Hoge Clinton- en Bush-functionarissen de voormalige en huidige ministers van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright en Colin Powell, de voormalige en huidige ministers van Defensie William Cohen en Donald Rumsfeld waren gisteren op de belangrijkste dag van de openbare zitting tot dusver, opmerkelijk eensgezind in hun repliek: gezien wat er voor de aanslagen bekend was, hadden zij zo agressief mogelijk opgetreden tegen Bin Laden en Al-Qaeda. Powell, Rumsfeld en Albright wezen erop dat er voorafgaand aan de aanslagen van 11 september 2001 weinig publieke en politieke steun bestond voor een militair optreden in Afghanistan, hoewel bekend was dat Al-Qaeda zich in dat land bevond.

De tienkoppige commissie, bestaande uit Democratische en Republikeinse oud-senatoren en -afgevaardigden, was fel in haar ondervraging van de vier ministers. Zo stelde de commissie met ergernis en verbazing vast dat de regering-Bush pas op de dag voor de aanslagen in New York en Washington een diplomatiek plan opstelde om Afghanistan onder druk te zetten. Die strategie had drie jaar moeten duren.

President Bush zei gisteren vanuit het Witte Huis dat hij beslist sneller zou hebben opgetreden [tegen Al-Qaeda] ,,indien mijn regering ook maar enige aanwijzing had gehad dat terroristen op 11 september van plan waren New York aan te vallen''. George Tenet, directeur van de inlichtingendienst CIA, zou hem ook ,,regelmatig'' hebben ingelicht over mogelijke terreurdreigingen. Van te weinig aandacht voor de dreiging van terreur zou geen sprake zijn.

De hoorzittingen van de onafhankelijke commissie vallen vrijwel samen met de publicatie, begin deze week, van een explosief boek van de hand van de voormalige antiterrorismechef Richard Clarke, die in die hoedanigheid heeft gediend onder de presidenten Bush en Clinton.

In zijn boek Against all enemies stelt Clarke, aan de hand van talloze voorbeelden, dat president Bush en zijn kabinet, voorafgaand aan de aanslagen van 11 september ondanks herhaalde waarschuwingen onvoldoende doordrongen waren van het gevaar van Al-Qaeda. In plaats daarvan leken zij geobsedeerd door plannen voor een definitieve aanpak van de Iraakse leider Saddam Hussein.

Ook de onafhankelijke commissie ging op die omstreden beschuldigingen van Clarke in en richtte zich rechtstreeks tot Rumsfeld en zijn onderminister Paul Wolfowitz, groot voorstander van een aanval op Irak, met de vraag of zij de eerste acht maanden in functie (tot 11 september) het dreigende gevaar van Al-Qaeda zwaar hadden onderschat. Wolfowitz antwoordde dat hij en Rumsfeld zich weldegelijk bezighielden met dat specifieke gevaar. Rumsfeld zei te betwijfelen of met het oppakken of doden van Bin Laden `11 september' voorkomen had kunnen worden. ,,Sterker, als er concrete inlichtingen waren geweest, en die waren er niet, dan was `911' misschien toch gebeurd en had, ironisch genoeg, een groot deel van de wereld waarschijnlijk gezegd dat de aanval van 11 september een vergeldingsactie was geweest van Al-Qaeda voor de provocatie van de Verenigde Staten door Bin Laden gevangen te nemen of te doden.''

Clarke zelf zal vandaag voor de commissie verschijnen (vanaf 21.00 uur Nederlandse tijd rechtstreeks op CNN). Ook zullen dan CIA-directeur Tenet, de nationale veiligheidsadviseur onder Clinton, Berger, en onderminister van Buitenlandse Zaken Armitage worden ondervraagd.

De commissie leek gisteren steeds meer de overtuiging toegedaan dat de regering van president Bush zich voor 11 september onvoldoende heeft beziggehouden met de bestrijding van terreur, waar dat wel had gekund. Dat verwijt maakten zij de Clinton-regering ook. Veel tijd werd besteed aan vier mogelijk gemiste kansen in 1998 en 1999 waarbij Osama bin Laden ,,gepakt of gedood'' had kunnen worden. De VS zouden toen niets hebben gedaan om geen onnodige slachtoffers te maken of omdat de inlichtingen niet duidelijk genoeg waren. Die kansen waren nooit eerder genoemd.

Alle ministers en oud-ministers wezen erop dat de zaken vóór 11 september aanmerkelijk minder duidelijk waren. Zo zei Albright naar aanleiding van die beschuldiging: ,,We werden er vooral van beschuldigd dat we te sterk reageerden, niet te zwak.'' Maar de raketaanvallen op Al-Qaeda-kampen in Afghanistan en Soedan in 1998, na de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, werden vooral bekritiseerd omdat die niets zouden uithalen.

De commissie zal waarschijnlijk komende zomer formeel verslag doen van haar bevindingen.