Niemand gelooft in multi-etnisch Kosovo

Op 24 maart 1999 begon de NAVO haar bombardementen op het Joegoslavië van Slobodan Miloševic. Ze won de oorlog om Kosovo maar bracht in de vijf jaar die sindsdien zijn verstreken geen verzoening in de tot op het bot verdeelde regio.

Mitrovica is een zeldzaam lelijke stad. De hoofdweg loopt langs zwartberoete flats naar de brug in het centrum van de stad. Die brug heeft geen naam; iedereen noemt haar eenvoudig de brug. Ze overspant de rivier Ibar, die doorloopt tot in Servië. De Ibar scheidt de stad in een noordelijk en een zuidelijk deel. Sinds het einde van de Kosovo-oorlog van 1999 wonen de Serviërs in het noorden en de Albanezen in het zuiden.

Een week geleden braken onlusten uit in Mitrovica. Na de dood van drie kinderen – naar verluidt werden ze door Serviërs de Ibar ingedreven – ontstak de Albanese bevolking in woede. Ze trok op naar de brug en verder, naar het noorden.

Binnen de kortste keren voerden de Albanezen en Serviërs van Mitrovica een ware veldslag. Er werd geslagen en geschoten. Het geweld sloeg over naar andere Servische enclaves. Achtentwintig mensen vonden de dood, zeshonderd mensen raakten gewond, Servische kerken en huizen werden platgebrand.

De Kosovo-oorlog viert vandaag zijn eerste lustrum; het is vijf jaar geleden dat de NAVO haar bombardementen op Servië begon. Daarmee maakte het bondgenootschap een eind aan het Servische geweld in het gebied. Maar verzoening bleef uit. Eerder wordt Kosovo opnieuw etnisch gezuiverd, stelden internationale bestuurders afgelopen week vast. En deze keer zijn de Serviërs aan de beurt.

Hoe kon het zover komen?

Na de oorlog, op 12 juni 1999, trok de NAVO de Servische provincie binnen. De achtergebleven Albanezen onthaalden hen als bevrijders. Toen ze in Mitrovica aankwamen, stond de zigeunerwijk in brand. Op die manier werden de Roma bestraft voor hun vermeende collaboratie met de Serviërs. De Albanezen herhaalden zonder blikken of blozen de leugen van de Serviërs die Albanese huizen in brand hadden gestoken: de hete zon had de daken van de zigeuneronderkomens `vanzelf' in brand gezet.

Zouden Serviërs en Albanezen ooit weer naast elkaar kunnen leven? De NAVO leek zich die vraag niet te stellen. ,,Aan de humanitaire tragedie is een eind gekomen'', verklaarde ze. Het na-oorlogse Kosovo werd de facto een internationaal protectoraat, geleid door de Verenigde Naties. Op papier bleef Kosovo deel uitmaken van Servië, maar Belgrado had in feite niets meer te vertellen. Kosovo, aldus de NAVO, moest een ,,vreedzaam, multi-etnisch en democratisch Kosovo'' worden, waar ,,alle mensen in veiligheid kunnen leven en waar de universele rechten van de mens gelden.''

De Serviërs wachtten de komst van een multi-etnische samenleving niet af. Zij vreesden de wraak van de Albanezen. Overal in Kosovo sloegen ze op de vlucht. In vijf jaar verlieten meer dan tweehonderdduizend Serviërs het gebied.

In Mitrovica trokken zij zich terug op de noordelijke oever van de Ibar. Zo werd Mitrovica een gedeelde stad. Dat strookte niet met de opvattingen van de internationale gemeenschap. Het nieuwe Kosovo moest immers een multi-etnisch samenleving worden.

Mitrovica werd de lakmoesproef. Het VN-bestuur wees de Trepca-mijnen aan als multi-etnische instelling. Maar de zestien overgebleven Servische arbeiders in de zinkmijn schrokken behoorlijk toen VN-medewerkers tweehonderd Albanese personeelsleden naar binnen brachten. ,,Kunnen jullie onze veiligheid garanderen'', vroegen ze. ,,Nee'', antwoordden de VN'ers naar waarheid. Daarop stoven de zestien de mijn uit.

Het VN-bestuur richtte zijn pijlen op het ziekenhuis. Servische artsen kregen opdracht met Albanese verleegsters samen te werken. Maar de situatie liep al snel uit de hand; op de binnenplaats sloeg een Albanees een Servische bezoeker met een ijzeren staaf op het hoofd. Die kon direct door naar de eerste hulp. In de ziekenboeg zwaaiden patiënten met pistolen. Niet lang daarna vertrok het Albanese personeel en ze namen de Albanese zieken mee.

In de jaren die volgden veranderde de multi-etnische droom in een nachtmerrie in Mitrovica. De stad werd het strijdtoneel van Albanezen en Serviërs. Daar ging het soms heftig bij aan toe, zoals die ene keer dat een man een handgranaat in een café vol Servische tieners gooide.

Het duurde niet lang of buitenlanders raakten betrokken in het conflict. Op een dag schoten sluipschutters twee Franse militairen in hun borst en arm. ,,Eerst kregen we bloemen, nu handgranaten'', verzuchtte een Franse soldaat.

De sympathie van de `internationals' voor de Albanezen nam af. In het begin waren ze gepreoccupeerd met de terugkeer van het Albanese deel van de bevolking. Bovendien, zo luidde de onuitgesproken heersende mening, hadden de Serviërs het leed grotendeels aan zichzelf te danken.

In zuidelijk (Albanees) Mitrovica leek daarom geen einde te komen aan het aantal hulporganisaties; daar heerste leven in de straten, gingen de kinderen met fel gekleurde rugzakjes van Unicef naar school, bloeide de handel.

In noordelijk Mitrovica bestond indertijd één Franse hulporganisatie en ook die vertrok na een jaar.

Geleidelijk nam de bezorgdheid van het buitenland over het lot van de Serviërs toe en verscherpte de kritiek op de Albanezen. Dat kwam door de Albanese aanslagen op het Servische deel van de bevolking, maar ook door de onverzettelijke houding van de Albanezen als het ging om onafhankelijkheid. Albanese leiders hebben hun wens, een onafhankelijk Kosovo, nooit onder stoelen of banken gestoken. De Kosovaarse president Ibrahim Rugova verklaarde eergisteren dat ,,alleen onafhankelijkheid stabiliteit in de regio kan brengen''.

Dat was tegen het zere been van de VN en de NAVO, die prompt beweerden dat geweld niet loont.

Dat was goed nieuws voor de Serviërs. Want zij weten dat in een onafhankelijk Kosovo geen plaats voor hen is. ,,Maar hoe kunnen wij ooit afstand doen van onze heiligdommen'', klaagde het Kosovaarse parlementslid Olivier Ivanovic, een Serviër, afgelopen week in Mitrovica. ,,Moeten wij de kerk van Gracanica, de mooiste in het Servische rijk, achterlaten in de handen van Albanezen?''

Maar welk leven leiden de Kosovo-Serviërs vandaag? In Gracanica, een enclave in Albanees gebied, wonen enkele tientallen Serviërs. Slechts een handvol werkt bij een van de internationale instituties in Priština. De rest eet uit zijn eigen groententuintje. Dorp, kerk en inwoners worden dag en nacht bewaakt door soldaten van de internationale vredesmacht KFOR. Ouderen begeven zich alleen onder gewapend escorte buiten het getto. Jongeren gaan nog wel eens op eigen houtje. ,,Maar we bidden dat onze auto het niet begeeft. Want dan zijn we de pineut.''

Intussen vliegen de verwijten over en weer. Zo vinden Albanese leiders dat het Westen zijn beloftes niet nakomt. De Kosovaren kregen de afgelopen vijf jaar een eigen regering, een eigen parlement en eigen belastingsysteem, gingen met de euro in plaats van de dinar betalen en schroefden eigen kentekenplaten op hun auto's. Hoe konden we dit anders zien dan de eerste stappen op weg naar de definitieve afscheiding van Servië, zeggen ze.

Ook groeit de frictie tussen de Albanese en de internationale gemeenschap. De Albanezen ergeren zich aan de duizenden expats; aan hun arrogantie, hun luide stemmen, hun dikke portemonnees. ,,Ze verdienen hier meer dan thuis en gedragen zich als kolonisten'', aldus de voorzitter van het parlement, Nexhat Daçi. De internationals op hun beurt vinden de Albanezen ondankbaar en drammerig.

De Serviërs tenslotte vinden dat de VN en de NAVO te weinig doen om het geweld tegen te gaan. ,,Wij hebben nooit gevraagd om een soldaat naast ieder Servisch huis. Wij willen simpelweg dat de daders worden opgepakt'', fulmineert parlementariër Ivanovic. Zijn de sluipschutters die vorig jaar op een groep zwemmende Servische tieners schoten en daarbij twee jongens doodden, al gearresteerd? Hij schudt het hoofd.

Staat er dan niemand tegen dit geweld op? Zeker, er zijn Albanezen die vinden dat de Servische burgers buitensporig boeten. Zij keuren het geweld wel degelijk af. Maar hun opmerkingen verlaten nooit de keuken, hun gedachten blijven binnenskamers en niemand spreekt zich ooit publiekelijk tegen het geweld uit.

In een multi-etnisch Kosovo geloven de meeste Albanezen en Serviërs niet. Ze hebben nooit met elkaar geleefd – hooguit naast elkaar. In Bosnië was een op de vier huwelijken voor de oorlog gemengd. In Kosovo kwamen zulke huwelijken nauwelijks voor. In de Bosnische hoofdstad Sarajevo ontmoette ik eens zo'n uitzonderlijk stel. Hij was Albanees, zij was Servisch en samen hadden ze twee kinderen. Ze waren verliefd geworden in de kantine van de universiteit van Priština. Maar dat was lang geleden. Inmiddels waren ze jaren `onderweg'; voor de oorlog op de vlucht voor de Servische geweldenaars, na de oorlog voor de Albanese wrekers.

Ze hadden zich aangemeld voor een vluchtelingenprogramma. Daarom waren ze ook in Bosnië. De volgende dag zouden ze naar Canada vertrekken. Want in Kosovo is geen plaats voor Romeo en Julia.