Een typische kunstenaar voor calvinisten

Het mooiste beeld op het grote Donald Judd-overzicht in de Tate Modern is Untitled uit 1972. Een grote vierkante bak is het, van dik, massief koper, en bijna een meter hoog. Op de bodem ligt een plaat aluminium die door Judd cadmiumrood is geschilderd. Het effect is geweldig. Wie in de bak kijkt ziet dat het rood, dat bijna oranje is, reflecteert in het koper, en het koper weer in zichzelf. In die spiegeling wordt de bak steeds groter en vooral: hij gloeit alsof er woedende vlammen op de bodem branden, of er onder de vloer een ronkend hellevuur ligt verscholen.

Maar dat is dus niet de bedoeling.

Donald Judd (1928-1994) hield namelijk niet van associaties en bijbetekenissen. De kunstenaar, opgeleid als filosoof en kunsthistoricus en enkele jaren werkzaam als kunstcriticus, probeerde zoveel mogelijk alle associaties met kunst, literatuur of de wereld van alledag buiten zijn werk te houden. Een beeld moest voor zichzelf spreken, vond Judd. Niet teren op verhalen of associaties, het moest simpelweg zijn, een object dat ruimte vulde, bijna alsof het vanuit een ander universum op aarde was geland – maar dan zonder die associatie met dat andere universum, natuurlijk.

In die afkeer van associaties was Judd de strengste en de meest consequente van de zogenaamde minimalisten, waaronder ook Carl Andre, Sol LeWitt en Dan Flavin meestal worden gerekend. Judd was zelfs zo consequent dat hij volhield een pesthekel aan de term minimalisme te hebben. Juist door die houding maakte hij het zichzelf niet gemakkelijk en dat is ook meteen het bewonderenswaardige aan zijn werk. Want hoe maak je kunst die zo min mogelijk met de wereld te maken heeft? En hoe ga je dan om met de ruimte waarin je sculptuur noodzakelijkerwijs moet staan, en met de toeschouwer? Met zijn streven manoeuvreerde Judd zich bijna in een perfecte paradox.

Op de expositie in Tate Modern, chronologisch van opzet, is in ieder geval prachtig te zien hoe Judd zijn zoektocht gestalte gaf. Al vanaf het begin van zijn carrière werkte hij, als vanzelfsprekend, abstract, maar dat was slechts een eerste stap. Langzaam bande hij ook alle handwerk uit zijn beelden, en maakte steeds consequenter gebruik van industriële, onpersoonlijke materialen als plexiglas, aluminium en plywood. Ook de vormen worden soberder: uiteindelijk maakte Judd vooral `dozen'. Soms staan die open op de grond, soms zijn het gesloten kubussen, soms hangen ze in reeksen onder of naast elkaar aan de muur. Daarmee komt hij uiteindelijk heel ver in het uitsluiten van de buitenwereld. In hun onbenaderbaarheid, hun koelheid laten Judds beelden zien dat hij bijna niets of niemand meer nodig had.

Maar dat is ook precies het probleem van dit werk – als toeschouwer voel je je soms behoorlijk buitengesloten. Terwijl je naar die beelden kijkt, besef je, wéét je, dat Judd zijn toeschouwers eigenlijk helemaal niet nodig heeft. Hoe bekoorlijk zijn werken vaak ook zijn, hoe perfect in vorm en afwerking, ze stralen ook minachting voor de toeschouwer uit. Dat komt niet eens doordat Judd niet in de toeschouwer geïnteresseerd is, maar omdat iedere handreiking, iedere geste naar het publiek een verzwakking van zijn beelden betekent. Dat is de werkelijke paradox van zijn kunst: juist doordat Judd zijn toeschouwers zo afstoot, is hij zo'n intrigerende beeldhouwer. Je zou Judd in dat opzicht een typische kunstenaar voor calvinisten kunnen noemen: je kunt zijn werk bewonderen, maar voor die bewondering krijg je zo min mogelijk terug. Het is kunst voor romantici die niet romantisch willen zijn, voor gelovigen die geloven dat ze boven het geloof staan.

Hoe ver Judd daarin ging, bewijzen zijn laatste beelden: lange, horizontale wandsculpturen die in blokken van verschillende kleuren zijn geverfd. Ook hier is het element van verlokking onmiskenbaar; de kleuren zijn prachtig, volkomen egaal (wat een hele kunst is op zulk dun aluminium) en lonkend. Tegelijk is de manier waarop die kleuren zich tot elkaar verhouden volstrekt willekeurig. Hoe je ook kijkt, er is geen systeem in te ontdekken, hoewel Judds strenge vlakverdeling dat wel suggereert. Terwijl je voor die beelden staat, krijg je helemaal het Judd-gevoel: gelokt door bewondering en tegelijk afgestoten door arrogantie. En ondertussen hou je het gevoel dat Judd boven je hangt, je verwarring ziet en daarbij een tevreden grijns niet kan onderdrukken.

Tentoonstelling: Donald Judd. Tate Modern, Londen. T/m 25 april. Zo-do 10-18u, vr en za 10-22u. Cat. £25. Inf. www.tate.org.uk