Capitulatie

Het telefoontje dat de columnist Paul Cliteur een dezer dagen met de redactie van het tv-programma Buitenhof pleegt, moet voor het nageslacht bewaard blijven als de persvrijheid ons lief is.

,,Paul hier'', klinkt het nogal afgeknepen.

,,Is er wat?'', vraagt de hoofdredacteur, ,,je klinkt zo zachtjes.''

,,Je moet voorzichtig zijn in dit land'', zegt de columnist, ,,je weet nooit wie er meeluistert.''

,,Waar ga je het zondag over hebben?'', vraagt de hoofdredacteur. ,,Weer zo'n lekkere parmantig-smalende column tegen links en de hoofddoekjes?''

,,Ik vrees van niet.''

,,Hoezo?''

,,Ik ben geen Don Quichot. Ik capituleer.''

,,Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Ben je bedreigd of zo?''

,,Niet rechtstreeks. Maar Thijs Wöltgens heeft wel hele nare dingen over me gezegd. Hij heeft me in verband gebracht met racisme...''

,,Wie zeg je?''

,,Wöltgens.''

,,O, leeft die nog. En waar heeft-ie dat gedaan?''

,,In De Limburger.''

De hoofdredacteur hoort zijn columnist moeilijk slikken. Op de achtergrond klinkt een bezorgde vrouwenstem.

,,Is dat alles?'', vraagt de hoofdredacteur zo neutraal mogelijk.

,,Piet Grijs en Marcel van Dam schrijven ook steeds heel demoniserend over me. Ik hou daar niet van. Met modder gooien is niet mijn stijl.''

De hoofdredacteur aarzelt. Hij voelt een zekere ergernis in zich opwellen. Moet hij empathisch meegaan met het zelfmedelijden van zijn topcolumnist, of zal hij hem even duchtig toespreken, zoals de meester vroeger op school deed met jongetjes die kwamen klikken?

,,Maar Paul'', zegt hij losjes, ,,jij hebt je de afgelopen tijd toch ook niet onbetuigd gelaten.''

,,Hoe bedoel je?''

De hoofdredacteur grijpt in het stapeltje tijdschriften op de hoek van zijn bureau. ,,Ik heb hier dat interview met jou in HP/De Tijd, waarin jij jezelf `de stem des volks' noemt. Eerste citaat: `Ik probeer te laten zien dat mannen als De Wijkerslooth, Cohen, Donner, Wallage en Balkenende er een gemeenschappelijke, ondemocratische denktrant op nahouden.' Tweede citaat: `De neerbuigende arrogantie van bestuurders als Cohen en Wallage haalt een enorme woede in mij boven.' Derde citaat: `De arrogantie van zo'n man (Cohen) die een flutintegratiebeleid heeft.' Vierde citaat: `Die man (Wallage) had natuurlijk alláng afgevoerd moeten worden.'''

Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.

,,Paul, ben je daar nog?''

De hoofdredacteur hoort een droge snik, gevolgd door geluiden van een korte schermutseling met de telefoon als inzet.

,,Nou meneer, u heeft uw zin'', zegt vervolgens een vrouw, ,,nu is mijn man nog meer van streek.''

,,Ik wilde nog graag even overleggen over het onderwerp van zondag'', zegt de hoofdredacteur verbouwereerd.

,,Wij dachten aan de situatie van de pinguïns op Newfoundland, maar u hoort er nog van.''