Psycholoog B.F. Skinner heeft twee gezichten

Onlangs was het honderd jaar geleden dat B.F. Skinner, grondlegger van het behaviorisme, werd geboren. Tegenwoordig is onder psychologen weinig ontzag meer voor Skinner en zijn ideeën over beïnvloeding van gedrag via omgeving. Het brein – dáár zijn de doorbraken te verwachten, zo wordt nu vaak geredeneerd. Skinner had daar geen oog voor en helpt de psychologie dan ook niet verder, vindt biologisch psycholoog Gilles van Luijtelaar. Onzin, vindt klinisch psycholoog Hubert de Mey. De lessen van Skinner zijn steeds opnieuw in praktijk te brengen door psychologen die hun vak serieus nemen.

Voor de experimentele en toegepaste psychologie heeft B.F. Skinner grote verdiensten gehad. Hij maakte van de psychologie een wetenschap die gebaseerd was op wetmatigheden van het gedrag. Terwijl veel van zijn Europese tijdgenoten intuïtieve methoden en introspectie gebruikten om gedrag te verklaren, introduceerde Skinner een manier van wetenschap bedrijven die volledig ontdaan was van alles wat niet honderd procent verifieerbaar en objectief was. Alleen observeerbaar gedrag, onafhankelijk van degene die het gedrag waarneemt, kan en mag bestudeerd worden in Skinners behaviorisme.

Het verklaren van gedrag van mens en dier – het doel van behavioristen – dient objectief te gebeuren. Gevoelens, die niet objectief vastgesteld kunnen worden, komen in zijn theorie dan ook niet aan de orde als verklaring voor gedrag. Dat je iemand de kop inslaat omdat je boos bent, is voor Skinner geen verklaring. Acceptabeler – althans in theoretische zin – is dat je iemand de kop inslaat, omdat je in het verleden ervaren hebt dat de gevolgen van dit gedrag voor jou eerder positief dan negatief zijn.

Skinner vond dat het gedrag van mens en dier volledig verklaard kan worden uit de omgeving; verklaringen voor normaal en gestoord gedrag dienen uitsluitend te geschieden in termen van stimuli, responses en gevolgen die dat gedrag heeft.

Met die opvattingen heeft Skinner in de jaren '30 tot '70 van de vorige eeuw de toon gezet voor een meer empirische psychologie en heeft hij daarmee de gedragsleer naar een hoger plan getild.

Maar Skinner was ook dogmatisch. Hij zag niets in onderzoek naar het organisme met zijn zenuwstelsel, waaronder de hersenen. Hij zag niet in hoe biologische processen een bijdrage konden leveren in het verklaren van gedrag. De vooruitgang die de psychologie de laatste jaren heeft geboekt, is nu juist voor een aanzienlijk deel gebaseerd op de ontwikkelingen in de biologie, met name de moleculaire genetica, celfysiologie, op oude en nieuwe brain-imaging technieken en op kennis van het menselijk brein zoals die vergaard wordt door de klinische en experimentele neuropsychologie. Als het aan Skinner gelegen had, was deze kennis en waren deze onderzoeksmethoden nooit aangewend om gedrag te verklaren.

Inmiddels weten we dat mentale processen – zoals gevoelens, motieven, cognities en percepties – net zo goed als andere processen die zijn betrokken bij gedrag, een fysieke representatie hebben in het brein. Skinner heeft zich drastisch verkeken op het feit dat alles wat we denken, voelen en waarnemen elektrisch-neurochemisch gerepresenteerd is in het brein.

Zonder actiepotentialen geen gevoelens, zonder neurotransmitteroverdracht geen fantasie.

Skinner heeft zich al helemaal niet kunnen voorstellen dat een mentaal proces zoals psychotherapie genoemd mag worden, aanwijsbaar veranderingen teweegbrengt in het brein.

Neuro-imaging studies laten zien dat het succesvol doorlopen van psychotherapie duidelijke veranderingen in hersenactiviteit laat zien. Neurobiologische kennis van het brein leidt niet alleen tot meer inzicht, maar ook tot betere behandelingsmethoden bij zowel gedragsstoornissen, psychopathologieën en neurologische aandoeningen. Gelukkig is de studie van de neurobiologie van gedrag, inclusief de mentale processen die daarbij horen, steeds meer het domein van de empirische psychologie geworden. Dit is niet dankzij, maar ondanks Skinner gebeurd. Bij zijn honderdste geboortedag moeten wij hem danken voor zijn grote verdiensten, maar ook vaststellen dat niet alleen hij, maar ook het behaviorisme dood is.

Dr. Gilles van Luijtelaar is biologisch psycholoog en verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.