Psycholoog B.F. Skinner heeft twee gezichten

Onlangs was het honderd jaar geleden dat B.F. Skinner, grondlegger van het behaviorisme, werd geboren. Tegenwoordig is onder psychologen weinig ontzag meer voor Skinner en zijn ideeën over beïnvloeding van gedrag via omgeving. Het brein – dáár zijn de doorbraken te verwachten, zo wordt nu vaak geredeneerd. Skinner had daar geen oog voor en helpt de psychologie dan ook niet verder, vindt biologisch psycholoog Gilles van Luijtelaar. Onzin, vindt klinisch psycholoog Hubert de Mey. De lessen van Skinner zijn steeds opnieuw in praktijk te brengen door psychologen die hun vak serieus nemen.

Het beeld dat wordt voorgeschoteld aan het grote publiek is dat van de psychologie als studie van structuur en werking van het menselijke brein (the science of mind).

Maar wat hebben we aan dit soort psychologie voor de praktijk? Zijn deze psychologen in staat op grond van hun kennis van de hersenen een zinnig woord te zeggen over hoe we doelmatig kunnen opvoeden, hoe we op de meest efficiënte manier kunnen onderwijzen, hoe we mensen met levensproblemen kunnen helpen, hoe we consumentengedrag kunnen beïnvloeden, of hoe we kunnen voorkomen dat onze beschaving verloedert?

Daartoe zijn ze niet in staat, om de eenvoudige reden dat dit niet hun bedoeling is.

De missie van deze nieuwe psychologen, die zich neuropsycholoog of cognitief psycholoog noemen, ligt in het ontdekken van de mechanismen die deze gedragingen kunnen verklaren. En dat is een nobel streven, waar geen zinnig mens iets tegenin kan brengen (en dat deed Skinner ook niet!).

Echter, hoe zit het met de oplossing van de in de vorige alinea genoemde doelen en problemen in de praktijk? Praktiserend psychologen kunnen en mogen niet ingrijpen op die mechanismen: ze mogen niet opereren, niet spuiten, geen medicijnen toedienen, kortom, ze kunnen met die kennis van de breinkant van gedrag mensen eenvoudigweg niet helpen.

Wie wordt er opgeleid om veranderingen aan te brengen in de verbale en niet-verbale omgeving van mensen zodat zij zichzelf en de wereld om zich heen beter kunnen leren kennen en veranderen?

Dat is de psycholoog, maar dan wel de gedragsdeskundige, en niet de hersenvorser of cognitief psycholoog die innerlijke processen blootlegt, maar ze niet rechtstreeks kan of mag beïnvloeden.

Iedere beïnvloeding van gedrag – hetzij denken, voelen of handelen – wordt gemedieerd door de omgeving, onze geschiedenis en onze belangen.

En ja, óók door neurologische en psychologische processen, maar die zijn een gevolg en niet de factoren waar we iets mee kúnnen in de praktijk.

We willen weten welke reeks van interacties tussen persoon en omgeving kunnen leiden tot verbeteringen in de eigen wereld en in die van anderen. Pas dan kunnen we die interacties helpen in gang zetten, en zal het brein zijn werk doen.

Het is deze vorm van psychologie die B.F. Skinner heeft uitgedragen. Met gezag, zoals blijkt uit een recent onderzoek naar de honderd meest invloedrijke psychologen van de vorige eeuw, waarin Skinner als nummer 1 tevoorschijn kwam.

De psychologie kan het niet alleen. Het moment is aangebroken om te werken aan één inter-disciplinaire wetenschap. En daarin speelt de psychologie van Skinner nu en in de toekomst een belangrijke rol.

Zijn psychologie zoekt verklaringen in de geschiedenis en in veranderbare factoren in de omgeving van mensen. Hoe die veranderingen gemedieerd worden door de hersenen, is het terrein van neurologen; welke rol de genen daarin spelen, is het terrein van genetici; welke rol evolutionaire processen erin spelen, is het terrein van biologen.

Ieder voor zich kan het geheel niet verklaren, daarvoor is samenwerking noodzakelijk. Maar zonder sterke afzonderlijke disciplines leidt samenwerking alleen maar tot vervaging.

Daarom moeten psychologen leren samenwerken met échte biologen, échte ingenieurs en échte informatici, in plaats van hun eigen vak te verkwanselen aan andere disciplines.

Dr. Hubert De Mey is Universitair hoofddocent persoonlijkheidsleer aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.