Natte voeten door onwelkome pijpleiding

Een zoutwinfabriek legt leidingen onder boerenland aan om zout van put naar fabriek te vervoeren. De boeren zien de waarde van hun bezit dalen.

De 60 hectare landbouw- en weidegrond van een boer zijn, alleen al door de dreigende zoutwinning, 600.000 euro in waarde gedaald, betoogde advocaat K. Jurriëns onlangs in een kort geding voor de Leeuwarder bestuursrechter. Het actiecomité ,,Laat het zout maar zitten'' had de Harlinger zoutfabriek Frisia voor de rechter gedaagd, omdat het comité het er niet mee eens is dat tien boeren moeten gedogen dat er pekelleidingen onder hun landerijen worden aangelegd.

Het ministerie van Economische Zaken verstrekte zoutfabriek Frisia (in 1995 als nieuwe onderneming onder de naam Frima geopend door prins Claus) een nieuwe concessie om via twee nieuwe winningsputten bij Tzummarum (gemeente Franekeradeel, in Noordwest-Friesland) 12 miljoen ton steenzout via een pekelleiding naar de Harlinger fabriek te transporteren. Het actiecomité, waarin de verenigingen voor Dorpsbelang in de dorpen Ried, Dongjum-Boer, Wijnaldum, Sexbierum-Pietersbierum, Oosterbierum-Kloosterlidlum en Tzummarum-Firdgum deel van uit maken, is hier fel op tegen. Zij vrezen niet alleen waardevermindering van hun land, maar ook van hun woningen en als gevolg van bodemdaling (door de zoutwinning), ook nog ondergelopen akkerbouwgronden en dus natte voeten.

Hun advocaat Jurriëns betoogde dat de agrarische grond al tussen de 10 en 20 procent in waarde is gedaald. Rond de twee nieuwe winningslocaties wonen 2.100 mensen, die als grondeigenaren of -gebruikers direct getroffen worden door de dreigende zoutwinning. ,,Alle bewoners in de streek zijn ertegen. Hun is niets gevraagd. Een democratische legitimering ontbreekt.''

De economische voordelen van Frisia wegen niet op tegen de nadelen voor de omwonenden, meende hij. Jurriëns eiste onmiddellijke stopzetting van de aanleg van transportleidingen van de Harlinger onderneming over het land van de boeren, op straffe van een dwangsom van 100.000 euro per dag. Ook al zou dit het faillissement van de fabriek en het ontslag van zijn 70 werknemers betekenen. Dat boeren de aanleg van de leidingen onder hun land moeten gedogen, achtte hij onrechtmatig. Net als de door de gemeente Franekeradeel afgegeven vergunning voor de ontsluitingsweg naar de winputten.

De aanleg van de kilometerslange buizen, waardoor heen het pekelwater vanaf de twee nieuwe winlocaties naar de Harlinger zoutfabriek stroomt, is al begonnen. Maar deze transportleidingen dienen geen enkel openbaar belang, zoals bijvoorbeeld water- of elektriciteitsleidingen dat wel doen, meende Jurriëns. ,,Een zoutfabriek is geen zaak van openbaar belang, noch een openbaar mijnbouwwerk'', zo meende hij. Integendeel, er wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de grondeigenaren en -gebruikers. Hij vroeg de rechter de gedoogplicht en de aanlegvergunning voor een toegangsweg te schorsen. Artikel 5 van de Mijnbouwwet, waarbij delfstofwinning wel als algemeen nut erkend wordt, achtte hij niet van toepassing.

Zijn opponent J.V. van Ophem van Frisia wel. De winlocaties, de installaties en de zoutfabriek vallen wel degelijk onder de winning van delfstoffen, dus onder de Mijnbouwwet, voerde hij aan. ,,De transportleidingen zijn zelf een openbaar werk van algemeen nut en zijn voor het winnen van zout onontbeerlijk.'' Hij beklemtoonde dat de overheden – zowel het ministerie van Economische Zaken dat de concessie verstrekte, als de provincie Fryslân – overtuigd zijn van het economisch belang van de zoutfabriek voor de regio.

Het toekennen van de bezwaren zou tot vertraging leiden van de bouw van de twee winputten. Dit impliceerde dat Frisia niet op volle capaciteit kon draaien, het winstderving boven het hoofd hing en bovendien schadeclaims van afnemers kon verwachten. ,,De continuïteit van de fabriek komt in gevaar.''

Van Ophem meende dat het bestemmingsplan van Franekeradeel de aanleg van de buizen en de weg wel degelijk toestond. Waarom, zo vroeg hij zich af, zou een leiding die anderhalve meter onder de grond ligt, strijdig zijn met agrarisch gebied. De akkerbouwers werken op de bovenste laag. Tegen de aanwezige riool-, gas- en waterleidingen hebben de bewoners toch ook geen bezwaar. Waarom tegen een pekelleiding dan wel?

De rechter vonniste onlangs dat de boeren niet hoeven gedogen dat de pekelleiding over hun land wordt aangelegd. Ook schorste de rechtbank de vergunning voor de aanleg van een ontsluitingsweg naar de zoutput. De gemeentelijke vergunning voor de aanleg van de leiding is echter wel rechtmatig, meent de rechter.

De actiegroep heeft de strijd echter nog niet gewonnen. Vrijdag dient de bodemprocedure tegen de concessie zelf voor de meervoudige kamer in Leeuwarden.

In Het Geding komen juridische geschillen in het bedrijfsleven aan bod. Reacties: hetgeding@nrc.nl