Kosovo's toekomst

Morgen precies vijf jaar geleden begon de oorlog in Kosovo, een stukje Zuidoost-Europa van nog geen elfduizend vierkante kilometer waarvan de bodem met bloed is doordrenkt. Achtenzeventig dagen duurde de strijd, van 24 maart tot 10 juni 1999. De beelden van gevluchte Kosovaren, van uitgebrande woningen, dode koeien en gebombardeerde steden en dorpen liggen nog vers in het geheugen. Iedereen die veronderstelde dat het internationale bestuur en de dito troepenmacht van na de oorlog de strijdende partijen dichter bij elkaar hadden gebracht, is dezer dagen ruw opgeschrikt door een niet te negeren Balkan-realiteit. In Kosovo blijkt de tijd te hebben stilgestaan. Van verzoening tussen de belangrijkste etnische groepen, Albanezen en Serviërs, is geen sprake. Bij oplaaiend geweld stierven vorige week minstens 28 mensen, raakten honderden gewond en werden duizenden uit hun huizen verdreven. Weer waren er de naargeestige beelden van vluchtelingen en in brand gestoken woningen, kerken, moskeeën – van `etnische zuiveringen', kortom. En weer waren er politici die niet tot rust maanden, maar die daarentegen in de vertrouwde reflex van haatdragendheid vervielen. Met wat overdrijving kan men stellen dat de tijd in Kosovo al stilstaat sinds 1389, toen zich bij Kosovo Polje de Slag op het Merelveld voltrok. Alle etnische ellende, die voortduurt tot vandaag, vindt daar haar oorsprong.

De geweldsexplosie is een tegenvaller voor de internationale organisaties die het in Kosovo voor het zeggen hebben: de Verenigde Naties en de NAVO. De conclusie van hun prominente aanwezigheid ter plekke moet luiden dat het gebleven is bij pappen en nathouden. Dat is gezien de diepliggende oorzaken van het conflict misschien al heel wat, maar de verwachtingen waren dit keer hooggespannen omdat aan de Balkan-oorlogen van de jaren negentig een einde was gekomen en nieuwe lokale leiders een Europees gezicht toonden. Die verwachtingen zijn beschaamd. Europa kan thans de gevolgen ervaren van een weliswaar toegedekt, maar niet bijgelegd conflict. Kosovo blijft voor de EU een onaangeharkte achtertuin die dringend zorg en onderhoud behoeft.

De VN, de NAVO, de Europese Unie en de belangrijkste politieke leiders in de regio moeten nu doen wat ze in '99 hebben nagelaten: een beslissing nemen over de toekomstige status van Kosovo. Zolang daarover onduidelijkheid bestaat, blijven de diverse bevolkingsgroepen morren of illusies koesteren die nimmer worden waargemaakt. Iedereen weet dat Kosovo niet meer onder Servisch gezag kan worden gesteld – maar niemand zegt het. Toch zal dat een keer moeten gebeuren. Iedereen weet ook dat een onafhankelijk Kosovo voorlopig geen optie is in een landstreek die zo'n signaal meteen omzet in letterlijk grensverleggende en dus ongewenste acties. Maar ook dit onderwerp is taboe.

De VN en de NAVO verrichten op zichzelf verdienstelijk werk in Kosovo. Maar verdienstelijk is hier niet goed genoeg. Het woord is synoniem voor vijf jaar besluiten om niet te besluiten. Die tijd is voorbij. Serviërs en Kosovo-Albanezen eisen zekerheid over hun toekomst – en hebben daar ook recht op. Om erger te voorkomen zal de internationale gemeenschap aan die eis tegemoet moeten komen. Intussen zit er weinig anders op dan meer NAVO-troepen naar Kosovo te sturen. Ze zullen langer nodig zijn dan voorzien.