Het mysterie is zoek

Er zijn tijden dat je een enorme hekel kunt krijgen aan alle vormen van godsdienst. Tijden zoals deze, waarin fanatici uit naam van hun godsdienst honderden mensen opblazen en andere fanatici dat rechtvaardigen. Waarin kardinaal Simonis zegt dat er niet met de oud-katholieken te praten valt, omdat die `de vrouw in het ambt' toestaan en ,,dat heeft ons'', zei Simonis, ,,de zin ontnomen om te dialogiseren.'' Waarin je elke dag in de krant leest dat geloven betekent: geloven dat het je recht is om je vrouw te slaan of je dochter te laten besnijden. Waarin de nieuwe protestantse kerk in Nederland meteen alweer dreigt te scheuren, omdat de uiterst orthodoxen zich niet in deze `valse kerk' kunnen vinden.

Geloof, ga je dan denken, is een bekrompen gedoe waar je meer last dan plezier van hebt. Wat zou het een verbetering zijn als de mensen ermee ophielden. Paul Cliteur schrijft twee pagina's lang dat we de hele joods-christelijke erfenis beter overboord kunnen gooien – jammer dat we daar ook zoveel van hebben en niet alleen maar van die mooie, schone Griekse wortels. Ayaan Hirsi Ali, die op scholen de kinderen vertelt dat ze vooral niet moeten geloven, vindt het verkeerd dat moslimkinderen gesubsidieerd leren zwemmen als ze dat gescheiden doen. En dan lees je weer over leerlingen die hun leraar of lerares geen hand willen geven, omdat dat niet in hun `cultuur' past en dan zucht je maar weer opnieuw en je denkt: hou toch op met al die godsdienstige flauwekul.

Dit klinkt allemaal alsof ik van plan ben daar nu een fris `maar toch' tegenover te stellen. Zoiets als dat het toch zo hoopvol is dat prinses Juliana zo oecumenisch dacht – dat zou nu wel passend zijn. Maar ik weet niets. Alleen maar dat mensen altijd kans zien om onverdraagzaam te zijn en te geloven dat alleen wat zij denken de waarheid is. En dat ze vooral belangrijk vinden wat ze zelf zeggen en maar zelden wat een ander te vertellen heeft. Daar hebben ze helemaal geen geloof bij nodig, maar mocht er een voorhanden zijn, dan wordt dat graag ingezet. Het is bijna nóg fijner om ruzie te maken over iets waarover niets met zekerheid te zeggen valt, dan over iets waarbij je feiten, hoe multi-interpretabel die ook altijd blijken te zijn, kunt aandragen.

En natuurlijk is dat van Cliteur, dat de joods-christelijke erfenis ons niet goeds zou hebben gebracht en de Griekse alleen maar goeds, jammerlijke apekool die erg weinig met feiten te maken heeft. De Griekse democratie was een keiharde samenleving die misschien best plezierig was voor autochtone mannen die graag heel veel snaterden in de vergadering, maar die voor alle anderen toch weinig te bieden had. Die vrouwen en meisjes die nu voortdurend tegen de godsdienst verdedigd moeten worden, hadden in het democratische Griekenland ook niet veel te lachen. Scholen, ziekenhuizen, een leer van vergeving, dat soort dingen, hebben we niet echt aan de Grieken te danken. Maar enfin, wat voor een nut heeft het om dit allemaal te gaan tegenspreken. De kwestie is eigenlijk dat je voortdurend denkt: daar gaat religie niet over. Het gaat om iets anders, niet om zelfmoordterroristen en abortus en vrouwen in of uit een ambt, met of zonder hoofddoek.

Ik las vorige week, omdat we het er met een groepje over zouden hebben, nog maar weer eens in Pascals Gedachten. Zeker wilde ook Pascal wel allerlei nu maatschappelijk ongewenste conclusies uit zijn geloof trekken, maar dat is niet het belangrijke van wat hij schrijft. Wat treft is eerder zijn oprechte onbegrip tegenover het bestaan, zijn angst voor de leegte, zijn verlangen om het leven zinvol te weten, zijn steeds weer terugkerende overtuiging dat het verstand niet toereikend is om onszelf te begrijpen – en zijn verstand was, zoals bekend, behoorlijk toereikend om heel veel te begrijpen. Daarom gaf hij zich over aan iets wat hij níét begreep, in de overtuiging dat alleen een mysterie het antwoord kon zijn op het mysterie van het bestaan. En ook al kun je hem daar niet in volgen, want zelf onmachtig om deze sprong te maken, tóch is dat interessanter dan die almaar herhaalde kreet dat er helemaal geen mysterie is, of dat alles nu eenmaal is zoals het is en daarmee basta.

Eigenlijk gaat het mij om nog iets anders. Niet om een antwoord zoals Pascal dat wilde geven, dat antwoord dat zegt: spring, geloof, vertrouw je toe aan juist wat je niet begrijpt, want dan word je gered. Eigenlijk lees ik nog liever de aarzeling, de eeuwige zoektocht die nooit de graal van het antwoord vindt, maar die toch niet gelooft dat het zinvol is om de vragen niet te stellen, de weg niet te gaan, de wijsheid uit het verleden niet te leren kennen, al zit die soms in veel onwijsheid en eigenaardigheid verborgen. Vaak denk ik aan de laatste regel van het mooie gedicht van C.O. Jellema `Kerkje van Fransum': ,,zo gesloten, een avond, ik zit in het gras / tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:/ dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.''

Een voorbije kerk, ontoegankelijk geworden voor wie dat oude geloof niet (meer) kan omhelzen, maar daarom nog niet waardeloos. Een schrijn om een uitblijvend antwoord. Maar wel een schrijn.

Jellema werd door zijn vrienden herdacht, dit weekend, hij is een jaar dood. Nu hij er niet meer is om zulke regels te schrijven, om te laten zien wat religie ook kan betekenen: verstandig weigeren om in het wilde weg te omhelzen, zoekend verlangen naar een denkloos aanvaarden – nu is het allemaal veel moeilijker geworden om iets vast te houden waarvan ik zeker weet dat het van het allergrootste belang is. ,,Maar wat of wie is God, die woont in duister licht.''

Honderd keer liever zulke regels dan Simonis, de scheurende hervormden, de fanaten. Daar gaat het niet over.