Dilemma

Om het een niet nader te noemen bron na te zeggen: het leven is ingewikkeld en gecompliceerd. Soms is het zelfs moeilijk én lastig. Gisteren had ik op dit gebied weer even zo'n leerzaam leermoment.

In het Mozeshuis in Amsterdam bezocht ik een bijeenkomst voor vluchtelingen, georganiseerd door het Amsterdams platform `Van Harte Pardon'. Het was er druk. De kleine ruimte kon nauwelijks de vele vluchtelingen, al of niet met kinderen op de arm, bevatten. Zij wilden vooral weten in hoeverre hun lot uitzetting uit Nederland nog afwendbaar is.

Niet meer, eigenlijk.

De medewerkers van allerlei organisaties deden hun best het slechte nieuws zo hoopvol mogelijk te verpakken. Maar het bleef slecht nieuws en het werd in de loop van de middag steeds slechter. Toen ging een delegatie naar burgemeester Cohen, even verderop in het stadhuis, om hem zesduizend handtekeningen aan te bieden.

De burgemeester nam ze beleefd in ontvangst, maar hij haastte zich eraan toe te voegen dat hij verder niets meer voor de vluchtelingen kon doen. Al had ook hij liever een ruimere pardonregeling gezien. Hij moest nu het beleid van minister Verdonk uitvoeren verder niks. Ook niet meer de dossiers nog eens goed doorkijken? Nee, hij kon alleen beloven dat hij de uitvoering van de uitzetting goed in de gaten zou houden.

Met die boodschap moesten de hulpverleners terug naar hun vluchtelingen. Die luisterden verdoofd toe. Tot sommigen leek het niet goed door te dringen. Zij begonnen weer uitvoerig en geëmotioneerd over hun zaak te praten. Naast mij zat een vrouw van in de dertig die uit Bosnië bleek te komen. Ze was onrustig en stond voortdurend op om naar achteren te gaan.

Eerst had ze in de zaal naar een film van Hedda van Gennep over vluchtelingenwerk in Eindhoven gekeken. Daar ontfermen vier nonnen zich in een kloosterhuis over allerlei vluchtelingen. De film begint met de beelden van een vluchtelinge die euforisch wordt als ze hoort dat ze een verblijfsstatus heeft gekregen. Ze kan het niet bevatten, ze huilt, danst en omhelst iedereen.

Toen de film was afgelopen, zei de Bosnische in het Engels tegen Hedda van Gennep: ,,Dit heb ik nou altijd gewild. Dit is mijn droom.''

We raakten aan de praat. Ze bleek al een jaar of zeven in Nederland te wonen. Ze had twee kinderen, een van vier en een van negen. Het jongste kind was van een Pakistaanse vader, een vluchteling die ze hier had ontmoet. Haar bestaan was moeilijk, zo niet onmogelijk. Ze leefde van slecht betaald schoonmaakwerk en zwierf met haar kinderen van het ene naar het andere adres. In de eeuwige angst dat ze als uitgeprocedeerde asielzoeker elk moment kon worden opgepakt.

Waarom gaat u niet terug naar Bosnië, vroeg ik.

Mijn kinderen hebben niets meer met Bosnië, antwoordde ze, ze spreken de taal niet en ze kennen er niemand. Maar in Nederland hebben ze ook geen toekomst, zei ik. En mijn Pakistaanse man dan, zei ze, moet ik die hier zomaar achterlaten? Het is uitgesloten dat hij naar Bosnië mee kan.

Ik moest toegeven dat haar dilemma ingewikkeld, gecompliceerd, moeilijk én lastig was. Maar dat wist ze al.