Wat was er nu allemaal zo bijzonder?

De geschiedenisboeken zullen zwijgen over de faits et gestes van koninklijke hoogwaardigheidsbekleders, als het koningschap zijn vanzelfsprekendheid behoudt, betoogt A.Th. van Deursen.

Toen vorsten nog werkelijk over het land regeerden, knipten ze geen linten door. De overgang naar het ceremoniële koningschap heeft zich bij ons voltrokken in de negentiende eeuw. Koning Willem II is de laatste die veldslagen heeft gewonnen en ministers naar huis heeft gestuurd.

Toen Willem III zijn zilveren jubileum vierde, werd hij vooral geprezen om zijn ,,oprechte deelneming in 's volks lief en leed''. Zulk optreden bij feestelijke hoogtijdagen of nationale rampen wekt sympathie, maar krijgt geen plaats in de geschiedenisboeken. Het behoort gewoon tot het dagelijkse werk, dat de loop van de gebeurtenissen in deze wereld niet verandert.

Koningin Juliana kan een uitzondering op die regel worden. CNN noemde haar afgelopen zaterdag in het nieuwsbericht `the peoples queen'. Het is een passend grafschrift, dat precies de reden aangeeft waarom de monarchie in Nederland nog altijd breed gedragen wordt.

Juliana's stijl van koningschap heeft de bijzondere positie van het huis Oranje in stand gehouden door alle crises van de jaren '60 en '70 heen. Toen het PvdA-congres zich in 1977 onverhoeds uitsprak voor de republiek, greep de leiding onmiddellijk in om te corrigeren wat zij niet ten onrechte voor een blunder hield. Een partij die de volksgunst zocht, moest zich niet tegen Juliana verklaren. Een koningin met haar winkelwagentje in de supermarkt, dat was ook voor de meest doctrinaire republikein onweerstaanbaar.

Als koningin Juliana in die tijd door haar manier van optreden de monarchie gered heeft, mag dat op haar rekening worden bijgeschreven. Dat strekt haar dan tot eer, maar eigenlijk zou het bevredigender zijn als de geschiedenisboeken er over zwegen. Dat zullen ze misschien ook wel doen, als het koningschap in Nederland zijn vanzelfsprekendheid behoudt. Dan zal over enkele decennia niemand zich afvragen, waarom koningin Amalia luid wordt toegejuicht bij de jaarlijkse rijtoer naar het Binnenhof. Die reactie wordt als zo natuurlijk ervaren dat ze geen nadere verklaring behoeft, en dan kan Juliana's speciale rol zonder bezwaar in de vergetelheid begraven worden.

Persoonlijke populariteit is trouwens ook nooit voldoende reden om een koning of koningin te verzekeren van een blijvende plaats in de nationale herinnering, zoals die in de geschiedschrijving wordt vastgelegd. Goed koningschap houdt meer in dan volksvriendelijk gedrag. Koning Willem III is het beste bewijs. Het is waar dat we van hem betrekkelijk weinig weten. De bronnen die ons meer kunnen zeggen over zijn publieke en private leven wachten nog op ontsluiting en gebruik. Maar ik heb geen reden te twijfelen aan de waarheidsliefde van zijn lofredenaars ter gelegenheid van zijn 25-jarig kroningsfeest. Ze zullen ons niets anders verteld hebben dan wat ze zelf hadden gezien. Maar juist als ze de waarheid wilden spreken, moesten ze het wel bij deze ene deugd laten. Willem III is koning geworden toen pas een nieuwe grondwet was aangenomen, die het zwaartepunt van de macht verplaatste naar de democratisch gekozen organen. De nieuwe invulling van het koninklijke ambt strookte noch met zijn karakter, noch met zijn opvatting van goed bestuur. De constitutionele monarchie is hem altijd innerlijk vreemd gebleven. 's Konings noodzakelijke medewerking was voor zijn ministers minder een welkome hulp dan een klip die omzeild moest worden. De reputatie van een goed vorst in de professionele zin van het woord heeft hij er niet aan overgehouden.

Zijn opvolgster had boven haar vader het voordeel, dat zij van jongsaf onder de gewijzigde verhoudingen was opgegroeid. Maar koningin Wilhelmina miste een eigenschap die voor een constitutioneel vorst of vorstin onontbeerlijk is. Ze kon zich niet gemakkelijk bij de feiten neerleggen. Het staatshoofd moet de politieke verhoudingen van het moment accepteren zoals die zijn. Het lijkt een platitude, maar dat is nu precies wat koningin Wilhelmina bij voorbeeld weigerde te aanvaarden, toen zij in 1939 Colijn opdroeg een kabinet te formeren, ofschoon iedereen wist dat het hem onmogelijk zou zijn de steun van een parlementaire meerderheid te verwerven. Zij kende zichzelf een grotere vrijheid van handelen toe dan de omstandigheden gedoogden, en moest dat met een mislukking bekopen.

Koningin Juliana heeft in constitutionele vaardigheid ongetwijfeld haar beide voorgangers overtroffen. De beste toetssteen is gewoonlijk de wijze waarop het staatshoofd opereert tijdens de kabinetsformaties. In die periodes is de ministeriële verantwoordelijkheid feitelijk uitgeschakeld. Het oude kabinet kan niet aansprakelijk zijn voor de totstandkoming van het nieuwe, en het nieuwe is nog geen werkelijkheid geworden. In zo'n schimmige tussenfase stelde Willem III voor, zijn broer tot minister te benoemen, en legde Wilhelmina een onuitvoerbare taak op de schouders van Colijn. Koningin Juliana heeft in formatietijd zeker wel eens beslissingen genomen die zij niet met succes aan de Tweede Kamer had kunnen voorleggen. Vreemde uitglijders staan echter niet op haar conto.

Ook dat is weer een kwaliteit die op zichzelf geen vermelding in de geschiedboeken afdwingt. Het is immers niets buitengewoons, behoort dat althans niet te zijn. Maar we zullen koningin Juliana waarschijnlijk toch één ingreep in het constitutioneel verloop van zaken mogen toeschrijven die belangrijke gevolgen heeft gehad. De in december 1972 begonnen formatie mag zonder tegenspraak de moeilijkste in onze geschiedenis heten. De adviezen die Hare Majesteit ontving waren volstrekt tegenstrijdig, en geen enkel voorstel was uitvoerbaar. Het scheen een onmogelijke opdracht, de onstuimige vernieuwingsdrang van de jaren '70 terug te leiden in het gareel van de parlementaire democratie. De koningin koos toen een koers die door niemand was aanbevolen, maar die ten slotte wel de enig mogelijke oplossing bracht. De wijze waarop staat niet boven kritiek. Maar de koningin heeft toen begrepen, dat onzijdigheid niet gelijk is aan passiviteit.

Een derde ding ten slotte. Alle Oranjes zijn overtuigde christenen geweest, zij het op zeer verschillende manieren. Wat ze bij alle verschil echter dikwijls gemeen hadden, was dat hun geloof uitdrukking zocht in de daad, en grondslag werd van beleid.

De eerste Willem van Oranje heeft in de zestiende eeuw met zijn streven naar tolerantie meteen een nog altijd sprekend voorbeeld gesteld. Zijn twintigste-eeuwse nazaten maken geen beleid meer. Beïnvloeden kunnen ze het wel. Bij koningin Juliana valt op hoe dat vooral gebeurt als haar reactie onder de inspiratie staat van haar religieuze overtuiging. Zo was het met haar pacifistische redevoering in Amerika, zo was het ook met haar weigering de morele verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het voltrekken van een doodvonnis.

Ook deze feiten zijn op zichzelf niet belangrijk genoeg voor de jaartallenboekjes. Ze voegen wel een trek toe aan het collectieve portret van de Oranjes, waarin koningin Juliana nu haar definitieve plaats gevonden heeft.

A.Th. van Deursen is emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.