Schotsiepiepen

Toen ik een jaar of tien was had je in Nederland nog winters. U weet wel, met sneeuw en ijs. Ik zat in Capelle aan den IJssel op de basisschool, toen nog lagere school geheten. Natuurlijk gooiden wij 's winters sneeuwballen en ja, ik heb ook wel geschaatst, maar het opwindendste wintervermaak was wat wij schooljongens indertijd (eind jaren zestig) schotsiepiepen noemden. We deden dat aan het eind van de winter, of in ieder geval na een periode van dooi. Het ijs werd dan dunner en brak in schotsen uiteen. Formeel mocht je dan natuurlijk allang niet meer op het ijs, maar daar trokken wij ons niks van aan.

Het was, in mijn herinnering, vooral een jongenssport. Meisjes stonden gillend of giechelend langs de kant te kijken. De sport was om de overkant van de sloot te halen zonder natte voeten te krijgen. Ik weet nog precies hoe het voelt als je op zo'n schots staat. Je moest goed in het midden springen, anders kieperde die meteen om. En hij moest een beetje groot zijn. Je kon er dan heel even op staan, want al vlug begon de schots te wiebelen of te zinken. Snel keek je om je heen naar een andere schots die je gewicht kon houden en zo stak je, springend van schots naar schots, de sloot over.

Hoe vaak ik dit heb gedaan, weet ik niet meer. Ik ben nooit kopje onder gegaan, maar ik heb wel een paar keer met natte en ijskoude voeten in de klas gezeten. Ik denk niet dat mijn moeder wist dat wij schotsiepiepten – zij zou tegelijk een hartverzakking én een rolberoerte hebben gekregen.

Waarom vertel ik u dit allemaal? Omdat ik graag wil weten of u nog andere woorden kent voor schotsiepiepen. Het is me namelijk opgevallen dat deze gevaarlijke wintersport veel verschillende namen kent. Dat is in de jeugdtaal niet ongebruikelijk. Er bestonden vroeger bijvoorbeeld wel honderd verschillende woorden voor spijbelen. Ik verwacht niet dat het er zoveel zullen zijn voor schotsiepiepen, maar ik heb er de afgelopen weken al een paar gevonden.

Zo heeft Piet Bakker het in Jeugd in de Pijp (1946) over ijsiepiepen en schotsietippelen. Sal Santen noemt het in Jullie is jodenvolk (1969) ijsiebochelen. Hij schrijft: ,,Ik moet na het broodeten meteen weer naar school, zeggen ze, we gaan ijsiebochelen achter de dijk. Het heeft een paar dagen gedooid. Er staat een flinke laag water op het ijs. Het bobbelt onder je voeten, als je niet uitkijkt zak je er door. Je moet rennen en toch niet te zwaar neerkomen. En als het ijs breekt spring je gauw verder. IJsiebochelen kan meestal maar een dag.'' Het begrip ontbreekt in de Grote Van Dale, maar het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, kent het als schossie loopen. In de Ronde Venen in Utrecht werd het volgens de Volkskrant in 2001 roempie trappen genoemd, dan wel schotsje trappen of ijssie brouwen.

Een vriend schreef me dat dit jongensvermaak omstreeks 1964 in het Noord-Brabantse Geldrop scholleke trietsen werd genoemd. Ter toelichting schreef hij: ,,Scholleke trietsen was blijkbaar een inheems-Brabantse uitdrukking, terwijl ik juist opgroeide in een vrij scherp van de plaatselijke bevolking gescheiden importgemeenschap. Enig taalcontact was er natuurlijk wel, en ik kan me voorstellen dat het gebruik van een dialectuitdrukking paste bij de `stoerheid' van de activiteit, die natuurlijk grotendeels beperkt bleef tot rondhangen en snoeven. Er waren daar maar heel kleine slootjes beschikbaar, en ik herinner het me vooral als over een slootje met dun ijs springen, en in de sprong proberen het ijs kapot te trappen zonder een `natte' te halen.''

Onder welke naam kent u dit ijsvermaak? Vermeld er s.v.p. bij waar, in welke plaats of regio, en wanneer (jaartal of periodeaanduiding) u het woord heeft leren kennen. Persoonlijke ijsbochel- en roempietrap-ervaringen zijn ook welkom. En natuurlijk houd ik mij tevens aanbevolen voor schotsspringpassages uit de omvangrijke Nederlandse kwajongensliteratuur.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Zie ook Woordhoek op donderdag op www.nrc.nl