Reisopera herontdekt de gulle lach van The Mikado

Voor librettist W.S. Gilbert begon het werk aan de operette The Mikado (1885) met een bizarre ervaring. Componist Sullivan weifelde over voortzetting van de samenwerking, omdat Gilberts komische, `topsy-turvy' (`ondersteboven, binnenstebuiten') teksten zich nooit zouden lenen voor een serieuze opera. Terwijl Gilbert nadacht over een thema dat Sullivan wél zou inspireren, kletterde in zijn werkkamer met donderend geraas een groot Japans zwaard van de muur. Daarmee was de toon voor The Mikado gezet.

Met een nieuwe productie van Gilbert en Sullivans `helemaal nieuwe en originele Japanse opera' The Mikado ofwel The Town of Titipu (1885) toert de Nationale Reisopera langs twaalf steden. In Nederland was het werk twintig jaar niet te zien, maar wereldwijd staat het hoog in de top-tien van meest gespeelde muziektheatervoorstellingen ooit. Alleen al in het ontstaansjaar volgden wereldwijd 150 verschillende producties. Daarmee werd The Mikado Gilbert en Sullivans bekendste werk, en hoewel de sprankelende lichtheid typisch Engels en 19de-eeuws is, blijkt de toon van clowneske satire, inhaakmarsen en kekke dansmuziekjes van een tijdloze aanstekelijkheid.

In The Mikado benut librettist Gilbert een Japans georiënteerd kluchtverhaaltje als dekmantel voor zijn satirische kijk op de Britse bureaucratie. Daarin schuilt tegelijkertijd de moeilijkheid van dit werk. Gedateerde gein is een gevreesde valkuil, maar in de regie van toneelregisseur Gijs de Lange wordt die knap omzeild. De doodslijst van opperbeul Ko-Ko verwijst niet naar vergeten booswichten en flaters uit 1885, maar naar de facelift van Berlusconi, Parmalat, slechte Idols en ,,Bush' poedel Tony Blair''. Beul: ,,I've got them on my list/I'm sure they won't be missed!'' Elders wordt verwezen naar het nabij Enschede gelegen dorpje Glanerbrug; een grapje dat bij de met ritmische meegeklapte marsen en schaterovaties toch al ongedwongen première in de Twentse Schouwburg door insiders behulpzaam aan randstedelijke onwetenden werd uitgelegd.

Hoewel de schuimige maatschappijkritiek in The Mikado weinig te maken heeft met Japan, is een exotische couleur locale wel het uitgangspunt voor het inventieve decor van Paul Gallis en de kleurrijke, komische camp-kostuums van Arno Bremers. Purperen horizonten worden geflankeerd door gouden kamerschermen, waarop geschilderde tropenvogels koddig met de snavel klappen, en dat al tijdens de met pentatone strijkersmelodieën en woeste Japanse krijgsroffels gelardeerde ouverture.

The Mikado valt in het genre light opera en werd door de Reisopera ook gefinancierd met behulp van het operettepotje dat beschikbaar kwam na opheffing van de Hoofdstadoperette. Intendant Mostart waardeert het genre als tussendoortje, maar is niet bereid jaarlijks een (k)luchtige productie in zijn programmering op te nemen.

Wie denkt dat luchtig synoniem is aan simpel, komt in The Mikado bedrogen uit. De scheidslijn tussen slappe ongein en de slappe lach is even dun als cruciaal, maar de balans slaat in deze productie uit ten gunste van de gulle lach. Daarin speelt het verhaaltje zelf overigens nauwelijks een rol. Nanki-Poo is de zoon van de keizer (Mikado) en vermomt zich als tweede trombonist om te ontsnappen aan een huwelijk met de aartslelijke en middelbare Katisha, die hier tragisch gekleed gaat in een onvergetelijke jurk met opdruk van verlepte tulpen. Onderweg wordt Nanki-Poo verliefd op de bekoorlijke Yum-Yum (nomen est omen), maar zij is al verloofd met de beul Ko-Ko. Uiteindelijk viert het recht zege en trouwt Ko-Ko met Katisha en Nanki-Poo met Yum-Yum.

Niet de handeling, maar de details zijn in The Mikado de motor van de lach. De Reisopera koos voor een cast van vrijwel uitsluitend Engelstalige zangers, die zelfs de soms erg oubollige gesproken dialogen met de nodige jeu brengen. Uitzonderingen zijn de Nederlanders Roger Smeets als een terughoudend acterende en juist daarom zeer vermakelijke Pish-Tush en Monique Scholte als de springerige bakvis Peep-Bo.

Ook uit de sympathieke acteerprestaties en koddige dansjes van de wat schel zingende tenor Michael Hart-Davis (Nanki-Poo), de kittige, meisjesachtige onbevangenheid van Yum-Yum (Alison Rae Jones) en de vocaal en theatraal ijzersterke Pooh-Bah (Roderick Kennedy) blijkt de zorg waarmee The Mikado is gecast. Maar de ware geest van Gilbert en Sullivan komt eerst en vooral tot leven in de Britse acteur/zanger Richard Suart, van wie je vanaf zijn eerste opkomst begrijpt waarom hij in dit repertoire geldt als een ongeslagen fenomeen. In Suarts volvet geacteerde kluchtenstreken kan de kleinste stembuiging al een lach opwekken. Zijn gruizige en vooroorlogs geplooide zangstijl geven Sullivans liedjes bovendien precies de juiste, typisch Britse, ongepolijste en ouderwetse klank.

Het typische aan light opera is dat een vlotte drive voortdurend prevaleert boven brede klankschoonheid. Zo is er een dameskoor op tralala met triangelbegeleiding (een vrouwelijke pendant van het jagerskoor uit Von Webers Der Freischütz) en bestaan ook de partijen van de solisten voor het grootste deel uit duivelsrappe, tongbrekende ensembles van één lettergreep per noot, waarin weinig ruimte is voor wijd waaierende lyriek.

Dirigent Mark Shanahan leidde The Mikado eerder in het Teatro La Fenice in Venetië, en realiseert bij het Orkest van het Oosten nu een strak gecontroleerde uitvoering die weliswaar niet optimaal homogeen, maar altijd animerend klinkt. Zo reiken muziek, regie, kostuums en de dartele choreografieën van John Yost elkaar de hand, en is het onmogelijk deze Mikado met geplooid gezicht uit te zitten.

Vanuit artistiek oogpunt weigert reisopera-intendant Guus Mostart operette of light opera als vast seizoensonderdeel te programmeren, en voor de liefhebber is dat jammer. Met deze introductie tot de welluidende wereld van Gilbert en Sullivan bewijst de Reisopera juist hoe springlevend het genre kan zijn – mits de juiste toon wordt getroffen.

Voorstelling: The Mikado van Arthur Sullivan en W.S. Gilbert door de Nationale Reisopera/Orkest van het Oosten o.l.v. Mark Shanahan. Regie: Gijs de Lange. Decors: Paul Gallis. Kostuums: Arno Bremers. Licht: Reinier Tweebeeke. Gezien: 20/3 Twentse Schouwburg, Enschede. Tournee t/m 29/4. Inl. www.reisopera.nl of (053) 485 85 00