Mag een vijand worden gedood?

Zijn aanslagen op vijandelijke leiders juridisch wel of niet toegestaan?

De doelbewuste liquidatie van een vijandige activist – zoals vanochtend vroeg sjeik Yassin door Israël – wordt wel gecontrasteerd met het blinde geweld van terroristische aanslagen. Dergelijke aanslagen zijn gericht tegen onschuldige burgers terwijl liquidatie een gericht strijdmiddel is tegen een sleutelfiguur. In deze laatste omstandigheid zou dan voor een belangrijk deel de rechtvaardiging moeten worden gezocht van wat anders gewoon moord zou zijn.

Toch ontsnapt de legitimiteit van politieke liquidaties niet aan de begrippenstrijd rond het verschijnsel terrorisme en de bestrijding daarvan. Dat geldt met name de vraag of terreurbestrijding een kwestie van strafrecht is dan wel van oorlogsrecht. De keuze van de juridische context maakt verschil uit voor de manier waarop men aankijkt tegen het doden van onschuldige burgers, hetgeen het hart vormt van de verwerpelijkheid van terrorisme.

Oorlog is de ultieme vorm van geweldsuitoefening en er is wel gezegd dat geweldsuitoefening geen logische grenzen heeft. Toch gelden moordaanslagen op niet-militaire leiders van de vijand in tijd van oorlog als een inbreuk op het humanitaire oorlogsrecht. Dit verbod valt te herleiden tot de Lieber Code, een befaamd Amerikaans handboek voor de soldaat uit 1863, maar Cicero meldde reeds dat de oude Romeinen een aanslag op een buitenlandse agressor afwezen.

Aanslagen op vijandelijke militaire commandanten zijn in het moderne oorlogsrecht wél toegestaan. Na de inval in Irak is van Amerikaanse zijde ook openlijk gesproken over het uitschakelen van Saddam Hussein.

Als de strafrechtelijke benadering van terrorisme wordt gekozen is er in elk geval geen plaats voor executie zonder vorm van proces. Een rechtvaardiging valt wel te zoeken in de sfeer van noodweer. Daaraan zijn in beginsel ook politie-acties onderworpen. Van belang is een uitspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten in 1995 in een zaak die bekend staat als Death on the Rock. Deze betrof het doodschieten van drie IRA-terroristen in Gibraltar door een commando van de SAS, de Britse speciale troepen. De SAS-commando's gaven toe dat ze hadden geschoten om te doden. Het hof accepteerde echter hun uitleg dat ze niet uit waren geweest op eliminatie van hun tegenstanders maar dat ze er van overtuigd waren dat dezen op het punt stonden een autobom tot ontploffing te brengen (die niet werd aangetroffen). Het Hof had echter ernstige kritiek op de Britse autoriteiten die de SAS in een onmogelijke situatie hadden gemanoeuvreerd. Dat illustreert dat de grens tussen geoorloofde noodweer en verboden standrecht dun kan zijn.

Voor zelfverdediging geldt in zowel in het nationale als het internationale recht dat het om een acuut of direct dreigend gevaar moet gaan. Zelfverdediging is dus iets anders dan vergelding.

In gewapende conflicten zijn wel represailles toegestaan. Dat zijn op zichzelf ongeoorloofde maatregelen als antwoord op illegale daden van de tegenstander en erop gericht daaraan een eind te maken. De burgerbevolking dient daar echter verschoond van te blijven, zegt het eerste Rode Kruis-protocol over het humanitaire oorlogsrecht.