Kabouter

Daar stond Willem van Hanegem weer in de catacomben van Het Kasteel. Het was lang geleden dat we daar tegelijk waren, Willem en ik, misschien al meer dan vijfendertig jaar. Ik weet het nog, het was mijn allereerste bezoek aan een competitiewedstrijd. Ik mocht achterop de bagagedrager van buurman Van Dijk mee naar Spangen. In de zestiger jaren speelde Xerxes daar haar thuiswedstrijden, in dat mooie blauwwitte zebrashirt.

Die middag stond een zekere Nol Heijerman in de voorhoede. Hij passeerde vier, vijf tegenstanders en liet zelfs de doelman met een schijnbeweging achter zich. Treiterig langzaam liep Nol door en legde de bal stil op de doellijn. Hij keek om, de tegenstanders – vraag me niet meer wie – deden niets, Heijerman ook niet. Het moment zit als bevroren in mijn hoofd: Nol Heijerman met de bal onder zijn voet, op de doellijn van Het Kasteel. Hij stak zijn handen in de lucht en schoot maar niet. In die wedstrijd speelde ook Willem van Hanegem mee, in hetzelfde zebrashirt.

Waar was ik toen Kennedy werd vermoord? Al sla je me dood. Waar was ik toen Nol Heijerman op de doellijn stilstond met de bal? Dat weet ik nog precies; op een houten bank aan de lange zijde op Het Kasteel.

Afgelopen woensdagavond was er tijdens het bekerduel tussen Sparta en FC Utrecht geen tijd voor nostalgie. Ik zat bij de spannendste wedstrijd van het seizoen. Sparta speelde met een leeuwenhart, Utrecht kreeg van bovenaf al het beschikbare geluk toegestrooid. Strafschoppen beslisten de wedstrijd, het was al ruim over elven. Het leek of volwassen mannen op de tribune na de laatste penalty hun almaar opgedraaide speeltje werd afgenomen. Als versteend stonden de Spartanen naast me. Over de tribune heen zag ik de lichten van de haven. Het is altijd kerstmis in Pernis. Van Nol Heijerman geen spoor.

Een half uur na afloop stond ik in de catacomben naast Van Hanegem. Nu moest ik hem over die stilgelegde bal spreken. Terwijl de kabels voor de tv-uitzending werden opgerold, begon de assistent-bondscoach over een invaller van Utrecht die meer met zijn haar dan met het spel bezig was geweest. Het viel even stil. Nu moest ik het proberen, maar daar was Van Hanegem alweer met een verhaal uit het niets.

Hij liep een paar jaar geleden in een tuincentrum en zag een mooie kabouter staan. Het leek hem wel wat voor in de tuin. Een hulpje vroeg of hij moest meetillen. Nee. Of hij dan een steekwagentje wenste? Een steekwagentje? Nee, dat leek Willem niet nodig. Hij zou dat gipsen kaboutertje zelf wel even naar zijn auto dragen. Hij pakte de tuinkabouter bij de armpjes maar kreeg 'm bijna niet van zijn plek. Het werd een woest gevecht met het ding. De tuinkabouter was van beton. Die steekwagen was eigenlijk een goed idee. Maar hij, Willem van Hanegem, rondrijden met een tuinkabouter op wieltjes? Over zijn lijk. Met het zweet op zijn rug schoof hij het loodzware beeld even later in de achterbak van de auto.

Het betonnen ventje staat nu nog steeds in zijn tuin. Hij heeft het nooit meer verplaatst. Soms, in een flauwe bui, vraagt hij aan het bezoek wel eens of ze het ding willen optillen. Het lukt niemand.

Het Kasteel liep leeg. Er kwam geen moment meer voor een vraag over Nol. Laat ook maar, het is vijfendertig jaar geleden. Ouwelullenpraat. Wie weet hoe lang Nol daar nog gestaan heeft met die bal onder zijn voet. Wie gelooft mijn verhaal eigenlijk? Ach, wat maakt het uit. Ik heb Nol en de stilgelegde bal ingeruild voor Willem en de betonnen tuinkabouter. Dat verhaal gelooft ook niemand meer over vijfendertig jaar. Daarom zet ik het vandaag zwart op wit in de krant.