`Huizen Serviërs zijn heel goedkoop'

De Serviërs van Kosovo werden vorige week het doelwit van etnische zuivering: de meesten die zijn verdreven keren niet meer terug. `Bezet door Fadil Rexhepi'.

Op zondagochtend gaan de Serviërs van het Kosovaarse stadje Gracanica naar de `mooiste kerk in het Servische rijk'. Het is niet gelogen. Van de vloer tot het plafond bedekken de prachtigste iconen de wanden.

Maar de tientallen Servische kerkgangers hebben er vanochtend geen oog voor. Ze groepen zenuwachtig bij elkaar en steken onderwijl dunne beige kaarsjes aan, extra veel, voor de zielenrust van de Serviërs die de afgelopen week werden gedood door woedende Albanezen. De kaarsjes vullen het voorportaal met geknisper en rook.

,,Ik kan het nog steeds niet geloven'', zegt Ivana. De oude boerin woont in Gracanica, sinds het einde van de NAVO-luchtoorlog in 1999 een getto midden in Albanees gebied. Ze kan het stadje alleen verlaten onder escorte van buitenlandse soldaten. Waarom verhuist ze niet?

De boerin heft haar armen op. ,,Waar kan ik heen?'' Svetlana, zegt een vrouw die het gesprek heeft afgeluisterd, heeft geen familie, op een verre neef in Servië na. En die bekommert zich niet om haar.

Binnen zingen de orthodoxe priesters in hun met goud bestikte mantels, buiten staan tientallen soldaten van de internationale vredesmacht KFOR in kogelvrije vesten. Immers, in de afgelopen dagen vonden niet alleen Serviërs de dood, maar gingen ook Servische kerken in vlammen op.

Meer dan duizend extra militairen heeft de NAVO haastig ingevlogen nadat afgelopen woensdag hevige onlusten uitbraken in het de facto internationale protectoraat. Overal horen de Kosovaren vandaag hun wapengekletter: in de steden en dorpen, rond de overgebleven kerken. En langs de weg naar Mitrovica, de tussen Albanezen en Serviërs verdeelde stad in het noorden van Kosovo die het symbool is geworden van de multi-etnische nachtmerrie in de regio.

Ze komen te laat, snuiven de kerkgangers in Gracanica verontwaardigd. Waar waren de soldaten afgelopen week? Toen woensdag het nieuws bekend werd dat drie Albanese kinderen waren verdronken (volgens de Albanezen zijn ze door Serviërs met honden de rivier ingejaagd) sloeg de vlam in de pan.

In Mitrovica trokken tientallen Albanezen over de brug naar het noordelijk deel van de stad, waar de Serviërs wonen. Ze verrasten de Franse soldaten op de brug volledig. Niet lang daarna stonden andere Servische enclaves in brand.

KFOR wist niet waar te beginnen. In het dorp Obilic evacueerde ze haastig alle Servische inwoners. Vijf minuten later trokken tientallen Albanese kinderen en mannen brandschattend door de wijk. Ze konden ongehinderd hun gang gaan, want KFOR had het te druk met de evacuatie.

Vier dagen later ligt Obilic er verlaten bij. De Serviërs zijn weg – ze komen ook niet meer terug. Hun huizen zijn verbrand en hun bezittingen zijn gestolen, op drie varkens na die de Albanezen, moslims, niet willen aanraken.

Internationale bestuurders nemen inmiddels zonder omhaal het begrip etnische zuivering in de mond. Het is extra wrang omdat het woensdag vijf jaar geleden is dat de NAVO de bombardementen op Joegoslavië begon om een eind te maken aan de door de Serviërs geleide etnische zuivering.

De Kosovo-Albanese regering heeft gezegd geld beschikbaar te stellen voor de opbouw van de vernielde huizen. Maar veel Serviërs willen niet terugkeren. Daarvoor zijn de gebeurtenissen van de afgelopen dagen te traumatisch geweest.

De Albanezen in Obilic weten dat ook. Op de resten van de verbrande huizen hebben ze daarom alvast hun naam geschreven. `Verkocht aan Avdi Mrlku'. Of: `Bezet door Fadil Rexhepi'. Een man heeft zelfs dreigend ondertekend met `Rambo'. ,,Albanezen zijn belust op Servische huizen. De Serviërs staan onder druk; ze moeten hun pand zo snel mogelijk kwijt. Daarom zijn Servische huizen veel goedkoper dan andere huizen.'' De Albanees Ardian Selani constateert het zonder een spoor van ironie in zijn stem.

's Middags, met de zon hoog aan de hemel, worden twee van de drie verdronken kinderen in het gehucht Cabra begraven. Zo'n zevenduizend Albanese mannen zijn op de ceremonie afgekomen; behalve familieleden blijven vrouwen traditioneel thuis. Al twijfelt de internationale gemeenschap inmiddels openlijk aan de gebeurtenissen, de Albanezen weten zeker dat Serviërs de kinderen de dood hebben ingejaagd. ,,Zij zijn gestorven voor de vrijheid van Kosovo en hun namen worden opgenomen in de geschiedenis van Kosovo'', zegt een van de sprekers.

Maar zullen de gebeurtenissen van de afgelopen week ook helpen om de droom van de Albanezen, een onafhankelijk Kosovo, te laten uitkomen? Nu maakt Kosovo op papier nog deel uit van Servië.

Sommigen menen van wel. De Verenigde Naties, die feitelijk de leiding hebben over Kosovo, hebben het probleem van de status van de provincie te lang voor zich uitgeschoven. ,,We zijn onze beloftes niet nagekomen. Dat krijgen we nu op ons brood'', zegt een EU-diplomaat in de hoofdstad.

Anderen denken dat de Albanezen zich met het recente geweld in de vingers snijden. VN-chef Kofi Annan heeft al gewaarschuwd dat de Albanezen niet moeten denken dat deze gewelddadige weg naar onafhankelijkheid leidt.

Oliver Ivanovic, Servisch-Kosovaars parlementslid uit Mitrovica, ziet zich gesterkt. ,,Vijf jaar geleden, tijdens de NAVO-bombardementen, hebben wij meer geleden. Toen besteedde niemand een woord aan ons. Want wij vertegenwoordigden Slobodan Miloševic. Vandaag is alles anders. Ons leed wordt gezien, besproken én erkend.''