Een vorstin om van te houden

Door haar afkeer van formaliteiten, menselijke betrokkenheid en de mate waarin zij haar persoonlijke gedachten met het volk wist te delen, gaf Juliana een nieuwe, democratische dimensie aan de monarchie.

Tweeëndertig jaar was Juliana koningin van Nederland (1948-1980). In deze periode groeide de in de Tweede Wereldoorlog verarmde en verwoeste natie uit tot een van de meest welvarende industriële landen ter wereld. Ondanks het verlies van Nederlands-Indië namen de ontwikkelingen op economisch, cultureel en wetenschappelijk gebied een hoge vlucht. Door exploitatie van aanzienlijke voorraden aardgas kon Nederland bovendien het fundament verstevigen van een stelsel van sociale zekerheid dat zijn weerga niet kende.

Was er na de oorlog, tot teleurstelling van velen, sprake geweest van politieke restauratie in plaats van vernieuwing, in de jaren zestig kwam provo op. Het bleek de voorbode te zijn van een culturele revolutie. Autoritaire gezagsstructuren werden neergehaald, actievoerders wisten democratisering van de maatschappelijke verhoudingen en inspraak voor de `mondig' geworden burger te bewerkstelligen.

Met Juliana heeft Nederland een vorstin gehad met oog voor de tekenen des tijds. Zij heeft haar ambt inhoudelijk vernieuwd door het van leeg ceremonieel te ontdoen en het aan te passen aan de sociale en menselijke normen van na de oorlog. Een aantal ingrijpende politieke beslissingen zijn in die periode genomen: de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië en vervolgens ook van Nederlands Nieuw Guinea aan dit land, de gratieverlening aan oorlogsmisdadigers, de toetreding tot het Noord-Atlantisch Bondgenootschap, de integratie van Europa.

Een veelvuldig contact met alle lagen van de bevolking heeft Juliana altijd als een van haar belangrijkste taken beschouwd. Zij vervulde die met grote inzet en bijna moederlijke warmte. Bij haar abdicatie in 1980 was de populariteit van het huis van Oranje, ondanks enige ernstige bijna-constitutionele crises, zeker even groot als toen zij in 1948 haar ambt aanvaardde. De manier waarop zij die crises het hoofd heeft geboden, niet zonder het brengen van zware persoonlijke offers, lijkt de genegenheid onder de bevolking alleen maar te hebben vergroot.

Het belangrijkste deel van de taak van een koningin de kabinetsformaties en het contact met de minister-president gaat schuil achter het `geheim van Soestdijk'. Niet minder dan dertien keer heeft Juliana een kabinet tot stand helpen brengen, met negen verschillende premiers. In dit land, met zijn vele politieke partijen en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot coalitievorming, moet dat een niet geringe opgave zijn geweest. Ontzuiling en opkomende massacommunicatie leidden tot snelle veranderingen in het sociaal-politieke krachtenveld. Sterke persoonlijkheden waren nodig die hierop konden inspelen, maar die tevens de belangen van Nederland, ondanks zijn tanende internationale betekenis, buiten de grenzen optimaal konden behartigen.

Een kabinetsformatie betekent voor een Nederlandse koningin een hoogtepunt in haar werkzaamheden. Ze maakt daarbij gebruik van haar grootste politieke recht: de benoeming van een informateur respectievelijk formateur. Daarvoor is een grondige kennis van de dossiers nodig en een evenwichtig oordeel over wat in een gegeven situatie haalbaar en wenselijk is. Alle mogelijkheden dienen te worden afgetast alvorens een besluit kan worden genomen.

Van Juliana is bekend dat zij die taak intelligent, met politiek instinct en ook met een zekere kordaatheid heeft vervuld. Haar keuze van adviseurs, zeker in de latere jaren, is alom gewaardeerd. Zij kon goed luisteren, maar ze volgde de adviezen alleen op wanneer haar dat verantwoord leek. Niet zelden kwam zij zelf met een alternatief voorstel. Algemeen werd ze als een kritische maar ook creatief denkende gesprekspartner beschouwd die er niet voor terugschrok krachtig in te grijpen wanneer een impasse dreigde. Ook liet zij wel eens een eigen voorkeur gelden. Zo zou zij in 1947, nog als regentes, een zekere druk hebben uitgeoefend om Drees minister-president te laten worden.

Kenmerkend voor Juliana is een grote dosis idealisme geweest, die haar het zicht op de politieke werkelijkheid meer dan eens dreigde te ontnemen. Haar jeugd als enig kind, in wat haar moeder ooit ,,de gouden kooi'' heeft genoemd, werkte een zekere wereldvreemdheid in de hand. Het Haagse hof stond voor de oorlog bekend als streng en puriteins en pas tijdens haar studiejaren in Leiden (1927-1930) heeft zij daaraan korte tijd weten te ontsnappen. Door haar huwelijk met Bernhard zur Lippe-Biesterfeld kwam zij voor haar troonsbestijging enige jaren in contact met het frivole uitgaansleven van de hoge Europese adel. Alleen tijdens de ballingschap met haar kinderen in Canada in de Tweede Wereldoorlog heeft zij min of meer het leven van een `gewoon mens' tussen andere mensen kunnen leiden haar diepste wens van kind af aan.

Haar verwachtingen van de naoorlogse wereld waren hooggespannen. Met vele anderen heeft zij gehoopt dat een tijdperk van vrede en internationale samenwerking zou worden ingeluid. Het uitbreken van de Koude Oorlog, culminerend in de blokkade van Berlijn en een zich jarenlang voortslepend gewapend conflict in Korea, betekende in dit opzicht een bittere teleurstelling. NAVO en Warschaupact werden opgericht, het Westen voelde zich door het communistische machtsblok in zijn meest wezenlijke vrijheden bedreigd. Een groeiend arsenaal kernwapens aan beide kanten deed de volken beseffen dat de vernietiging van ieder leven op deze planeet niet langer ondenkbaar was.

Tegen deze wapenwedloop is Juliana vanaf haar eedsaflegging ten strijde getrokken. In tal van toespraken in binnen- en buitenland heeft zij getuigd tegen geweld en vóór de wereldvrede op een wijze die vaak aan de toen omstreden `derde weg' deed denken. Tijdens een bezoek van het koninklijk paar aan de Verenigde Staten in april 1952 hield zij in Washington een vurig pleidooi om de gehele mensheid in broederschap te laten samenleven. ,,Vrede'', zei ze, ,,is het wapen dat het beste doel treft.'' Over de noodzaak om de Sovjet-Unie met haar dictatuur en haar Goelag-archipel te bestrijden, maakte ze geen enkele opmerking. De tekst moet, zoals gebruikelijk bij toespraken van de koningin, van tevoren met minister Stikker van Buitenlandse Zaken zijn doorgesproken. Ondanks de koppigheid, waarvoor Juliana in dergelijke situaties bekend stond, heeft Stikker er zonder twijfel de passages die het kabinet absoluut niet voor zijn rekening kon nemen, uit geschrapt.

Desalniettemin bewoog Juliana zich met deze pacifistische uitspraken aan de uiterste grens van de constitutionele verantwoordelijkheid. Het woord `coëxistentie' was in die tijd niets minder dan een vloek. Kernpunten van het Nederlandse beleid waren het lidmaatschap van de NAVO en de herbewapening en die waren politiek onomstreden.

Maar met koninklijk zelfbewustzijn schilderde Juliana op die gedenkwaardige dag voor het Congres haar droom van een wereld zonder agressie: één gezamenlijke toekomst of geen toekomst. Het was de stem van een kleine, relatief onbelangrijke bondgenoot. Misschien daarom permitteerde men zich in Washington, waar toen de heksenjacht van McCarthy op alles wat naar communisme riekte in volle gang was, onder de indruk te zijn. Ze kreeg een donderend applaus. Men zou kunnen zeggen dat Juliana met haar visie, nu breder geaccepteerd, haar tijd vooruit is geweest.

Uit diezelfde geesteshouding kwam haar verzet voort tegen de doodstraf voor oorlogsmisdadigers. Hierin onderscheidde ze zich van haar moeder, die hen het liefst allemaal meteen had laten executeren. Juliana heeft de afwijzing van het gratieverzoek van de ter dood veroordeelde Lages, een kabinetsbesluit nota bene, maandenlang laten liggen zonder het te ondertekenen. Herhaalde druk van minister-president Drees mocht niet baten. Voor de koningin was dit een gewetenskwestie, waarbij ze haar diepste overtuiging niet aan de politieke noodzaak wenste op te offeren. Zij schijnt in die tijd te hebben overwogen af te treden, maar de minderjarigheid van haar dochter Beatrix zou haar daarvan hebben weerhouden.

Uiteindelijk kwam in 1952 de nieuwe minister van Justitie Donker met een voorstel tot gratieverlening voor Lages een overwinning voor Juliana. Wederom had zij de aan haar gestelde constitutionele grenzen geraakt, volgens sommigen in moreel opzicht zelfs overschreden. Koning Boudewijn van België heeft er veertig jaar later in een soortgelijke ultieme gewetenszaak de voorkeur aan gegeven tijdelijk af te treden. Hij vermeed daarmee zelf een nieuwe abortuswet, die tegen zijn godsdienstige principes indruiste, te moeten ondertekenen. Men kan erover twisten welke van beide oplossingen eleganter is. Feit blijft dat de oplossing van het decennia lang slepende probleem van `de Drie van Breda' in niet geringe mate aan de beginselvaste houding van Juliana te danken is geweest.

Met haar moeder heeft Juliana een diepe gelovigheid en een neiging tot mystiek gemeen gehad. Dit leidde ertoe dat zij voor haar jongste dochter, toen nog Marijke geheten, die in 1947 door een ziekte tijdens de zwangerschap van haar moeder met slechte ogen ter wereld was gekomen, hulp zocht bij een gebedsgenezeres, Greet Hofmans. De traditionele geneeskunde was niet in staat gebleken iets voor het prinsesje te doen. Juliana maakte zich ernstige verwijten: de handicap was veroorzaakt door rode hond die zij in het begin van haar zwangerschap had opgelopen toen ze een schip met repatrianten uit Nederlands-Indië begroette. Door haar beschermde jeugd zonder speelkameraadjes had ze deze kinderziekte niet op de normale leeftijd doorgemaakt.

Greet Hofmans, oorspronkelijk looninschrijfster van beroep, genas zieken door hen `aan God op te dragen'. Zij leek daarmee, vooral bij wat men nu psychosomatische klachten zou noemen, nogal eens succes te boeken. Haar spreekuur werd door zeer veel mensen bezocht. Deze harde, weinig verzoeningsgezinde vrouw, die zichzelf als een geroepene beschouwde, beloofde de radeloze Juliana beterschap voor haar kind, indien de ouders maar diep genoeg in God zouden geloven. Toen Marijkes gezichtsvermogen na twee jaar nauwelijks enige vooruitgang vertoonde, kreeg Bernhard daarvan de schuld. Zo werd een wig gedreven in de tot dan toe goede verstandhouding tussen koningin en prins.

Allengs probeerde Hofmans, die intussen haar intrek in paleis Soestdijk had genomen, behalve geestelijke ook politieke invloed op de koningin uit te oefenen. Zij eiste onder meer dat Bernhard zijn voorzitterschap van de Bilderberg-conferentie een praatgezelschap van Europeanen en Amerikanen over Atlantische samenwerking zou opgeven. Woedend over haar intriges heeft de prins haar in 1950 het paleis uitgezet. Dat kon niet verhinderen dat in hofkringen een felle machtsstrijd ontbrandde tussen twee kampen: een pacifistisch-religieuze groep rond de koningin en Hofmans en een groep NAVO-voorstanders met zin voor politieke realiteit rond de prins. Ook in het persoonlijke vlak waren de verhoudingen ten paleize door deze tegenstellingen ten slotte ernstig verziekt.

In 1956 publiceerden enige buitenlandse bladen in groot opgemaakte artikelen dat conflicten aan het Nederlandse hof wellicht tot een abdicatie van Juliana en tot een scheiding van het koninklijk paar zouden leiden. Greet Hofmans werd in het Duitse weekblad Der Spiegel als ,,Raspoetin van het huis van Oranje'' afgeschilderd. Nederlandse kranten zwegen aanvankelijk en namen later de verhalen, zij het in een afgezwakte versie, over. Geruchten deden de ronde dat Juliana `ontoerekeningsvatbaar' zou zijn en naar een inrichting moest worden overgebracht. De dynastie leek in gevaar.

Minister-president Drees belegde een persconferentie waarop hij alle berichten en geruchten categorisch tegensprak. Een commissie van wijze mannen onder leiding van prof. Beel, vice-voorzitter van de Raad van State, kreeg opdracht een onderzoek in te stellen. Hun bevindingen zijn niet openbaar gemaakt, maar uit de maatregelen die in aansluiting daarop werden getroffen, was de strekking duidelijk. De koningin verbrak ieder contact met Greet Hofmans, een aantal hoffunctionarissen werd ontslagen, en zij gaf zich in de daarop volgende maanden zichtbaar moeite de relatie met haar man te herstellen. Daarmee heeft Juliana het landsbelang boven haar persoonlijke gevoelens laten prevaleren.

De genegenheid voor het koningshuis leek er niet door te zijn aangetast, maar het koningschap is mede door dit menselijke drama van betekenis veranderd. Onder de koninginnen Emma (als regentes) en Wilhelmina overheerste de symbolische waarde van de monarchie. De vorstin vertegenwoordigde tegenover het volk het collectieve beeld van continuïteit, vaderlandsliefde, geestelijke normen en voor velen haar door God verleende soevereiniteit. Door de afkeer die Juliana had van formaliteiten, door haar menselijke betrokkenheid en ook door de mate waarin zij, zonder haar privacy op te geven, haar persoonlijke gedachteleven met het volk wist te delen, bijvoorbeeld in haar kersttoespraken, gaf zij haar functie een nieuwe, democratische dimensie.

In de loop van haar leven is Juliana er in geslaagd uit de `gouden kooi' van haar jeugd te breken. Zij wilde als vorstin niet tegenover haar onderdanen staan, maar naast hen. Met grote inzet heeft zij hun vreugden en zorgen gedeeld, de zwakken in de samenleving opgezocht en bemoedigd, slachtoffers van rampen bijgestaan. Haar toespraken, hoewel met een filosofische inslag, waren voor iedereen begrijpelijk. Bij officiële bezoeken legde ze grote belangstelling aan de dag, zowel zakelijk als persoonlijk, en het kwam geregeld voor dat het tijdschema, tot verlegenheid van de organisatoren, in de war raakte.

In 32 jaar tijd heeft Juliana 45 buitenlandse staatshoofden of regeringsleiders ontvangen en zelf dertig staatsbezoeken afgelegd. Haar fysieke uithoudingsvermogen was vermaard. Zij stond er op alle punten van een programma af te werken, ook wanneer mensen uit haar gevolg het moesten laten afweten. ,,Majesteit, u hebt meer aan een levende minister dan aan een dode'', riep een uitgeputte Luns in 1963, toen er bij een staatsbezoek aan Iran in een hitte van 40 graden een tempel van hoge, ruwe rotsen zou worden beklommen. Juliana liet haar bewindsman achter samen met de sjah en Farah Diba, en klom op handen en voeten naar de top. Aan het eind van datzelfde bezoek, tijdens een boottocht op de Kaspische Zee, sprong de koningin, die behoefte had aan wat verkoeling, in het water en zwom in twee uur terug naar de kust, waarbij haar veiligheidsagent niets anders overbleef dan achter haar aan te zwemmen.

Aan persfotografen had Juliana een gruwelijke hekel. Van nature was zij verlegen en één van haar eerste jeugdherinneringen, heeft zij eens verteld, was dat zij als klein meisje bijna door de grond ging toen zij door een grote menigte mensen werd aangestaard. Er zijn verschillende incidenten geweest waarbij het de fotograferende pers nagenoeg onmogelijk werd gemaakt haar werk te doen, omdat majesteit hen te opdringerig vond. Het ging, was haar mening, om het werk dat zij deed het openen van een brug, de ingebruikneming van een ziekenhuis en niet om haarzelf. Gedeeltelijk zal dit ook een reactie zijn geweest op de stijl van haar moeder, die met de volle autoriteit van haar positie in het middelpunt van de aandacht placht te staan. Wilhelmina heeft dan ook eerbied en dankbaarheid geoogst, geen hartelijkheid zoals haar dochter.

De woelige jaren zestig hebben voor het koningshuis, zoals voor de hele gevestigde orde, een krachtproef betekend. Oude waarden en normen werden op de helling gezet, op de universiteiten brak onrust uit, het maatschappelijk leven in al zijn geledingen politiseerde snel. In 1966 kwam het bij de huwelijksvoltrekking van Beatrix en Claus in Amsterdam tot rellen die te gewelddadig waren om nog met het provo-epitheton ludiek te worden afgedaan. Het verzet ging veel dieper dan de autoriteiten hadden verwacht, niet alleen tegen de regentenmentaliteit, maar ook tegen de consumptiecultuur, de woningnood en de uitbuiting van de Derde Wereld.

Juliana zelf heeft die gebeurtenissen later als een uitbarsting van generatie-problemen omschreven. Voor het koningshuis betekenden ze een stap verder in het proces van ontmythologisering. Van een republikeinse stroming als serieuze politieke factor is toen noch later evenwel sprake geweest. De emancipatie van de burgers leidde er wel toe dat het koningshuis door de publieke opinie steeds kritischer werd gevolgd.

Toen dan ook eind 1975 feiten aan het licht kwamen waaruit de indruk kon worden gewekt dat prins Bernhard van de Amerikaanse firma Lockheed steekpenningen had aangenomen, konden de Nederlanders via de media het steeds verder escalerende schandaal op de voet volgen. De prins was altijd zeer actief in het buitenland geweest om voor het Nederlandse bedrijfsleven opdrachten binnen te halen. Het kabinet was daarvan op de hoogte en tevens van het gebruik om grote transacties op de een of andere manier te `honoreren'. De waardering voor zijn veelal succesvolle handelsmissies was algemeen, al waren er bedenkingen over de weinig selectieve wijze waarop de prins zijn gesprekspartners uitkoos. Als inspecteur-generaal van de krijgsmacht en daarnaast als commissaris van de KLM was zijn advies bij de aankoop van vliegtuigen van belang. Via tussenpersonen zou Lockheed de prins als blijk van waardering hoge geldbedragen hebben doen toekomen.

Minister-president Den Uyl stelde de zogeheten commissie-Donner in om de beschuldigingen te onderzoeken. In augustus 1976 presenteerde de premier het resultaat aan de Tweede Kamer. Uit zijn verklaringen, hoewel in bedekte formuleringen opgesteld, bleek ondubbelzinnig dat de prins de grens van het toelaatbare had overschreden. Voor Juliana betekende dit een bittere ontgoocheling. Met het gefrustreerde bestaan van haar vader prins Hendrik als prins-gemaal voor ogen, had zij haar echtgenoot altijd de grootst mogelijke vrijheid gelaten.

Opnieuw deden speculaties over abdicatie de ronde. Had het kabinet besloten tot een gerechtelijke vervolging van de prins, dan was dat zonder twijfel gebeurd. Aangezien Beatrix niet bereid zou zijn geweest onder dergelijke omstandigheden de troon te bestijgen, zou dat het einde van de dynastie hebben betekend. Zover is het niet gekomen. De prins legde voor de televisie een verklaring af waarin hij toegaf fout te hebben gehandeld. Hij deed afstand van zijn functie als inspecteur-generaal van de strijdkrachten en trad af als voorzitter van de Bilderberg-stichting.

Juliana is in deze affaire met grote loyaliteit achter haar man blijven staan. Zij zette door dat hij haar, als vanouds, op prinsjesdag vergezelde naar de opening van de Staten-Generaal, al droeg hij bij die gelegenheid, conform de eis van het kabinet, niet meer zijn militaire uniform. Stressbestendig als de koningin was, heeft ze ook deze crisis zonder merkbare gevolgen doorstaan. Zij demonstreerde dit door met aftreden te wachten tot 1980, enige jaren later dan zij oorspronkelijk van plan was geweest.

Zelfs binnen de beperkte bevoegdheden van een constitutionele monarchie bezit een staatshoofd in Nederland aanzienlijke vrijheid om invloed uit te oefenen. Op beslissende ogenblikken, zo is tijdens de regering van Juliana herhaaldelijk gebleken, kan zij op eigen wijze inhoud geven aan haar functie, door ontwikkelingen bij te sturen en daarbij het gewicht van haar eigen mening in de schaal te leggen. Juliana heeft door haar persoonlijke stijl het koningschap met de samenleving weten te verweven. Haar ethische invalshoek paste bij Nederland als gidsland. Zo heeft zij voor een soepele overgang gezorgd van het koningschap als 19de-eeuws symbool van autoriteit naar de transparantie van gezag die een verworvenheid van deze tijd is.

In een democratie als de onze is een zo persoonlijke invulling van het koningschap alleen dan mogelijk wanneer de koningin respect geniet en haar regering door sympathie in brede kringen van de bevolking wordt gedragen. Met haar rechtschapenheid, haar sterke karakter en haar toewijding heeft ze dat respect in ruime mate verworven. Maar bovenal was Juliana een koningin die van haar volk heeft gehouden. En de Nederlanders, de generaties die haar hebben gekend, hielden van haar.

An Salomonson was redacteur van NRC Handelsblad van 1975 tot 1989.