Een Soestdijks requiem

Juliana heeft haar plaats in de geschiedenis verdiend. Ze was een goede koningin. Ze deed wat er van haar werd verwacht en ze deed waartoe ze was opgeleid, meent Cees Fasseur.

Zelden is er zo verlangend naar de geboorte van een troonopvolger uitgezien als in 1909 toen Juliana werd geboren. De vreugde was groot. Niemand had nog op de geboorte van een koningskind durven rekenen, nadat koningin Wilhelmina in een achtjarig huwelijk drie miskramen had gekregen. Was haar huwelijk met prins Hendrik kinderloos gebleven, dan zou de troon na de dood van de koningin volgens de Grondwet zijn toegevallen aan een of andere Duitse achterneef. De Groene (Amsterdammer) publiceerde een tekening van Johan Braakensiek waarin een vijftal pretendenten, natuurlijk in Pruisisch uniform, de deur werd gewezen door een Nederlandse kraamverzorgster met de opgewekte woorden: ,,Dank u,

heren, wij zijn voorzien!''

De gelukwensen die in de Tweede Kamer tot het ouderpaar en de regering werden gericht, waren dan ook oprecht. Alleen de sociaal-democraten deden niet mee. Troelstra was geen groot mensenkenner. Reeds bij de aankondiging van Wilhelmina's zwangerschap eind 1908 in de Kamer had hij laten weten niet te kunnen instemmen met het herhaald hoerageroep dat op deze boodschap volgde. ,,Daar zul je plezier aan beleven bij de verkiezingen'', (in mei 1909) riep een liberaal Kamerlid hem toe en gelijk kreeg hij. Voor het eerst stokte de socialistische opmars aan de stembus. Misschien was Juliana's latere sympathie voor socialistische premiers als Drees en Den Uyl wel een onbewuste genoegdoening voor wat in haar geboortejaar in de rode burcht was misgegaan.

Juliana werd al bij haar geboorte door een groot deel van het Nederlandse volk op handen gedragen. Zij bleef in de volksgunst. Haar moeder was zo verstandig om de eisen van het destijds nog rigide protocol te trotseren. Juliana kreeg onderwijs met andere kinderen in een paleisklasje. De stap naar de lagere school buiten het paleis was toen nog net één stap te ver. Maar zij mocht op haar achttiende wel naar de universiteit, naar Leiden dus. Alle mannelijke leden van het Oranjehuis in vroeger eeuwen hadden daar als student ingeschreven gestaan, wat nog niet wilde zeggen dat zij er studeerden.

Juliana deed wél haar best, zoals zij alle taken in haar leven zo goed mogelijk trachtte te vervullen. Aan plichtsbetrachting schortte het haar niet. In dat opzicht waren de vier koninginnen Emma, Wilhelmina, Juliana en Beatrix die Nederland sinds 1890 gekend heeft, aan elkaar gewaagd. Juliana zag drie jaar later – op 31 januari 1930 – haar inspanningen beloond met een eredoctoraat. Het was niet tot haar genoegen, omdat haar bijzondere status zo opnieuw werd benadrukt. Erepromotor was niemand minder dan Johan Huizinga. Aan het promotiediner loofde hij tegenover prins Hendrik de intelligentie van de prinses en het feit dat ze zo ongedwongen met haar vrouwelijke jaargenoten wist om te gaan, waarop de trotse vader liet weten dat ze het verstand van haar moeder had en het zo aardig omgaan met de meisjes van hem.

Inderdaad had de prinses veel met haar vader gemeen. Hij was een hartelijke, eenvoudige man die er slag van had met `gewone' mensen op een natuurlijke manier om te gaan. Die stonden anders dan nu nog ver van het Oranjehuis af. Ze heeft veel van hem gehouden. Op de dag van haar huwelijk, op 7 januari 1937, liet ze een krans witte aronskelken op zijn graf in de Nieuwe Kerk te Delft leggen.

Juliana vond het jammer enig kind te zijn en te blijven. Als negenjarige schreef ze reeds briefjes aan haar ouders die ze ondertekende als ,,uw oudste en nog steeds enig kind''. Compensatie vond ze in de omgang met vele vriendinnen die op het paleis werden uitgenodigd. Haar jaarclub in Leiden bleef zij haar leven lang trouw. Zelfs tijdens de oorlogsjaren in Canada werden de banden zo goed en kwaad als het ging in allerlei langs omwegen gesmokkelde brieven onderhouden.

Maar met niemand was tot haar huwelijk, maar ook lang daarna, het contact nauwer dan met haar moeder, Wilhelmina. Het was geen gemakkelijke opgave het enig kind van een zo krachtige persoonlijkheid te zijn. Juliana vermeed zoveel mogelijk het conflict. Zij deed wat kinderen van koppige ouders vaker doen. Zij toonde zich voor het oog meegaand, maar ging in werkelijkheid rustig haar eigen gang. Toch zou ze pas in de oorlogsjaren, door een oceaan gescheiden van haar moeder, voor het eerst regelmatig lippenstift gaan gebruiken. De vrouw van de Amerikaanse gezant in Londen werd uitdrukkelijk verzocht hierover tegen Wilhelmina te zwijgen, aangezien ,,it would greatly add to her worries''.

Aan wilskracht ontbrak het Juliana niet. Koppigheid was haar niet vreemd. Ook op dit punt is er een parallel tussen drie generaties Oranje-koninginnen te trekken. Er was geen sprake van dat zij zich, zoals haar moeder die toen nog nauwelijks twintig lentes telde, zou hebben laten uithuwelijken. Bernhard was geheel de man van haar keuze, een keuze voor goede en kwade dagen. Bernhard vond haar tijdens de eerste kennismaking volgens zijn biograaf Alden Hatch ,,heel lief, erg verlegen, bijzonder intelligent en sterk onder de invloed van haar moeder''. Een rake typering.

Tijdens de affaire-Greet Hofmans in de jaren '50 was zij een geducht tegenstandster, ook al zal het nog wel even duren voordat wij alle bijzonderheden kennen. Pogingen de inhoud van het rapport over deze affaire in mijn Wilhelmina-biografie op te nemen, strandden op de bijlagen met verhoren van nu nog levende personen die er een onverbrekelijk geheel van uitmaken.

De biografie van haar moeder had ik niet kunnen schrijven zonder haar medewerking. Zij stelde mij immers de bundels brieven beschikbaar die Wilhelmina aan haar tijdens vijf lange oorlogsjaren had geschreven. Zorgvuldig had zij deze brieven bewaard. Aanvankelijk besloot ze uittreksels uit deze brieven op de band in te spreken, wat mij een zending uit Soestdijk van enkele tientallen tapes opleverde. In 1993 met haar markante, warme stem ingesproken, vormen ze een soort 26 uur durende troonrede die thans bij het Koninklijk Huisarchief berust.

Haar plaats in de geschiedenis heeft Juliana verdiend. Zij deed wat van haar verwacht werd door een veeleisende moeder en zij deed waartoe zij was opgeleid. En zij deed het goed. Het zal haar met haar gevoelige en emotionele aard niet altijd even gemakkelijk zijn gevallen. Met het protocol had zij weinig op. Zij vond het vreselijk, zei zij me eens, dat voor haar als heel jonge prinses de deur met een eerbiedige buiging werd opengehouden door kamerheren en andere hovelingen die in leeftijd haar grootouders konden zijn.

Hoezeer zij zelf reeds deel van de geschiedenis uitmaakte, werd mij duidelijk toen ik haar op een regenachtige novemberdag in 1992 te Soestdijk bezocht voor een lang gesprek over haar moeder. Bij het weggaan zei ze: ,,Professor, kunt mij vertellen waaraan mijn oom, de oudste halfbroer van mijn moeder, is overleden?''

Met een zeker ontzag voor het tijdsverloop besefte ik, dat zij doelde op de oudste zoon van koning Willem III, de toenmalige prins van Oranje, ook een Willem, die in 1879 in Parijs was overleden.

Cees Fasseur is historicus en kreeg bekendheid met zijn tweedelige Wilhelmina-biografie.