Werk voor de jeugd, nu en in de toekomst

In de jaren tachtig was het een berucht en schrijnend fenomeen: jeugdwerkloosheid. Hordes jongeren die hun opleiding achter de rug hadden, kwamen niet aan de bak. Kabinetten uit die tijd ontwierpen plannen die later in beleid werden omgezet, maar de jeugdwerkloosheid verdween pas toen de economie midden jaren negentig aantrok. Voor velen is die eerste bittere ervaring met een afwijzende arbeidsmarkt bepalend geweest voor hun verdere loopbaan. De jeugdwerkloosheid was de schandvlek van het tijdvak, die voor menigeen zou uitgroeien tot een langgerekt drama. Er zijn gevallen bekend van jongeren die destijds werkloos raakten en dat nu nog zijn. De arbeidsmarkt is keihard. Lichtingen schoolverlaters volgen elkaar snel op. Eens loser, altijd loser.

De laatste tien jaar was van jeugdwerkloosheid nauwelijks sprake. Integendeel, in de `gouden' jaren negentig stonden bedrijven en overheidsinstellingen in de rij voor school- en universiteitsverlaters. Maar niets is zo veranderlijk als de arbeidsmarkt. Het tij is gekeerd. De werkloosheid neemt weer toe, en die onder de jeugd stijgt thans twee keer zo hard als het totale aantal werklozen. Zowel het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) maakte deze week alarmerende cijfers bekend. Hun definities van werkloosheid verschillen, hetgeen hinderlijk en onnodig verwarrend is, maar de feiten die beide instellingen presenteren, liegen er niet om. Volgens het CWI is 9,6 procent van de Nederlandse beroepsbevolking momenteel werkloos. Het aantal jeugdwerklozen bedraagt 60.800. Het CBS meldt dat van de 15- tot 25-jarigen die geen opleiding meer volgen, 12,1 procent werkloos thuiszit. De tendens is stijgend.

Jongeren vormen een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt. Ervaring hebben ze niet of nauwelijks. Ze hebben vaak tijdelijke contracten en worden bij de minste economische tegenwind zonder meer ontslagen. Velen lopen stage, maar verdienen daar weinig tot niets mee. Na hun stage is het over en uit. Anders dan bij de vorige periode van jeugdwerkloosheid ziet het er dit keer naar uit dat onder de getroffenen relatief veel allochtonen zijn die niet zelden zonder enig diploma de school hebben verlaten. Dit is een onderklasse in opbouw, die om allerlei redenen de steun en aandacht van Den Haag verdient. Het gaat er niet om de werkloze jeugd te `pamperen'. Het punt is dat in economisch slechtere tijden jongeren soms moeten worden geholpen bij het verwerven van een zelfstandige positie op de arbeidsmarkt en daarmee in de samenleving. Werk is het beste middel voor integratie – in dit geval voor het gelijkwaardig opnemen van jongeren in het economisch proces; autochtoon en allochtoon.

Het kabinet lijkt zich de stijgende jeugdwerkloosheid aan te trekken. Het heeft een taakteam samengesteld dat op zoek is gegaan naar banen, stages en regelingen. Een deel van het probleem zal verdampen als de economie weer groeit. Bovendien zal door de daling van het geboortecijfer het aantal jongeren dat zich voor de arbeidsmarkt meldt, vanzelf afnemen. Tegelijk maken de naoorlogse geboortegolvers door pensionering straks massaal plaats voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Maar feit is dat iedere werkloosheidsgolf de jeugd het hardste treft en een kern van langdurig werklozen kan creëren. Overheidsbeleid op dit gebied blijft gewenst. Werkgevers kunnen een bijdrage leveren door minder te tamboereren op doorwerken tot 65 jaar en zelfs daarna. Het kabinet heeft deze week besloten de voorgenomen maatregelen af te zwakken om prepensioen en VUT te ontmoedigen, een regeling die ooit was bedoeld om jongeren aan werk te helpen. Het is een verstandig besluit. Ongetwijfeld kan het gewenst zijn om ouderen langer te laten doorwerken. Maar het gaat bij dit soort maatregelen om de timing. Bestrijding van de jeugdwerkloosheid verdient nú de hoogste prioriteit.

ook voor jongeren