Vmbo worstelt niet met ras of met etniciteit, maar met onhandelbare leerlingen

Leraren op, zeg, een vmbo-school in de Amsterdamse Bijlmermeer kunnen nóg zo lijden onder ordeproblemen, maar de Onderwijsinspectie rept dan ijskoud van een ,,geweldig pedagogisch klimaat''. Waar gebeurd, in 2001. Ik was toen leraar op die school. Van de 45 minuten die een les duurde, konden ik en veel van mijn collega's welgeteld 15 minuten effectief lesgeven. De rest van de tijd ging op aan ordeproblemen.

Drie jaar heb ik als leraar in de Bijlmer gewerkt, van 1999 tot eind 2002. De populatie van deze vmbo-school, ongeveer 500 kinderen (ooit was het bijna 1300), bestond voor 60 procent uit kinderen van ouders uit Suriname en voor 20 procent uit kinderen van ouders uit de Antillen, vooral Curaçao. Er zaten ook veel kinderen op uit West-Afrika, vooral Ghana. Minder dan 5procent van de kinderen had een etnische Nederlandse, of Europese, achtergrond. Ik heb het idee dat ik in al die jaren niet één kind uit de middenklasse heb gezien.

Onder veel kinderen heerste angst voor fysiek geweld, en ze hadden niet zelden het gevoel dat ook sommige leraren bang waren. Wat wil je ook. Een leerling overleed bijna na een steekpartij, gepleegd door een oud-leerling. Die steekpartij was onderdeel van een reeks berovingen van leerlingen, soms met een pistool erbij. In een ander incident beet een moeder een Surinaams-Nederlandse leraar in zijn schouder, door de huid heen, uit woede over de manier waarop de leraar haar zoon een dag eerder behandeld had. De leraar had hem tegen een muur geduwd, toen hij trachtte orde te scheppen tijdens een chaotische pauze.

En dat heet dan ,,een geweldig pedagogisch klimaat''.

Onbekend was voor mij deze situatie niet, maar shockerend wel. Shockerender zelfs dan mijn ervaringen tussen 1996 en 1999, toen ik les gaf op een high school in een door een gang gedomineerde wijk in de South Bronx in New York. Al was de graad van angst en agressie daar hoger, maar de shockerendste incidenten zag ik op school in de Bijlmer.

De schoolpopulatie in de Bronx, ongeveer duizend leerlingen, bestond uit nul procent Europees-Amerikaanse pubers. Ongeveer 40 procent van de kinderen was `black' (dat wil zeggen Afrikaans-Amerikaans, Afro-Caraïbisch of Afrikaans), de rest was `Latino'. Ook hier: niet één kind uit de middenklasse.

In de Bijlmer stond ik op een dag in mijn lokaal toen drie jongens verderop in de gang keihard op de deur van een ander lokaal sloegen. Vervolgens maakten zij zich snel uit de voeten. Een leerlinge, Mary-Ann, die naast de jongens stond maar niet had meegedaan, rende ook weg, maar de lerares uit dat lokaal wist haar te stoppen. Mary-Ann zei dat zij niet op de deur had geklopt. De gespannen lerares ging hier niet op in. Toen de discussie escaleerde, gaf de lerares Mary-Ann een lichte duw op haar schouder. Meteen probeerde Mary-Ann de lerares in haar gezicht te slaan. Een halve seconde later grepen ze elkaar bij de hals en stonden klaar om elkaar een dreun geven. Ik was als bevroren toen ik het zag. Gelukkig greep een leerling van de lerares in en haalde hij de twee partijen uit elkaar. Pas toen kon ik me verroeren. Het meisje werd van school gestuurd. De lerares, die vóór dit incident al bijna overspannen was, kwam na de zomervakantie niet terug.

Net als de Nederlandse Onderwijsinspectie was ook de directie van de school in de South Bronx meester in het verbloemen van incidenten. Ordeproblemen werden met de stelligheid van een ouderwetse jezuïet ontkend, maar in werkelijkheid waren kleine ordeproblemen en grote angsten verreweg de meest urgente issues. Afgezien van wat voor soort officieel curriculum de kinderen op papier volgden – bouw, Engels, wiskunde, sport, etc. – zij werden blootgesteld aan destabiliserende opwellingen van energie. Voortdurend werden deze leerlingen geconfronteerd met zeer bedreigende vormen van wangedrag.

De problemen in en om deze twee scholen werden vooral veroorzaakt door emotioneel labiele en, zoals leerlingen aan beide kanten van de oceaan zeiden, `harde' kinderen. De uitbarstingen hadden vaak te maken met een grotendeels onbewust gevoel van inbreuk op het lichaam of met schaamte (gezichtsverlies) – veel meer, zo is mijn overtuiging, dan met welke etnische identiteit ook.

De explosiefste kinderen deden vaak zeer conventionele uitspraken over normen en waarden, bijvoorbeeld over het belang van onderwijs en het vermijden van agressie. Er waren zeer dociele, beschaafde en gemotiveerde kinderen op beide scholen met, bijvoorbeeld, een (Afro-)Caraïbische etnische achtergrond. Met een verklaring voor de agressie en het wangedrag die is gebaseerd op huidskleur of etnische identiteit, komen we dus niet ver.

Datzelfde geldt voor de indeling van scholen in `allochtone' en `autochtone'. Waarom zou je geen onderscheid maken in termen van kinderen die lijden aan chronische stress en kinderen die daar géén last van hebben? Of in termen van kinderen die een hoog niveau van emotionele zelfcontrole hebben geïnternaliseerd, en `harde' kinderen die met enorme problemen buiten de school hebben en emotioneel zeer labiel zijn? Waarom geen indeling in scholen met veel verborgen chaos en scholen met weinig verborgen chaos?

Het is een raadsel waarom zo velen nog steeds geobsedeerd zijn door `ras' en `etnische identiteit', terwijl keer op keer uit onderzoek (zowel in Nederland als in de Verenigde Staten en elders) blijkt dat

(1) niet-blanke kinderen uit middenklasse gezinnen bijna nooit naar `zwarte achterstandscholen' gaan en

(2) als wordt gekeken naar kinderen van zeer laag opgeleide ouders, `ras' en `etnische identiteit' vrijwel geen effect hebben op hun onderwijsprestaties.

Net buiten veel Amerikaanse steden bevinden zich zeer stabiele middenklasse -scholen die een overwegend Afroamerikaanse populatie hebben. Er zijn ook vreselijke scholen in Alabama en Kentucky voor de zogeheten white trash. Geloof me, u zou liever uw kind op een middenklasseschool in de zwarte voorstad hebben dan op de blanke-onderklasseschool op het platteland.

Als al die zogenaamde intellectuelen die na een schietpartij op een `zwarte' schoolmeteen praten over `cultuuroorlogen', de chaotische uitbarstingen van energie en emoties aan den lijve zouden ondervinden, zouden ze niet zo snel beginnen over huidskleur of `Turkse eerwraak'. Maar ze zijn natuurlijk niet in de desbetreffende scholen en wijken te vinden.

Om kinderen sneller te laten integreren, moeten de verantwoordelijke volwassenen de kwetsbaarste jonge lichamen en geesten proberen te stabiliseren.Deze kinderen kunnen dat niet zelf. Scholen zijn nog steeds de stabiliserende instituten par excellence. Als wij, de middenklasse-ouders, leraren, onderzoekers en beleidsmakers, niet ingrijpen op de scholen van de meest kwetsbaren – omdat wij bang zijn om te stigmatiseren – nemen wij een enorm risico met hen, een risico dat wij nooit met onze eigen kinderen zouden nemen. Niet alleen voor pasgeborenen en kleuters geldt het oude Nederlandse adagium van rust, reinheid, regelmaat. Dat geldt evenzeer voor de meest kwetsbare leerlingen.

Om dit te realiseren zouden scholen op een nieuwe manier worden gemengd. Belangrijkste factor daarbij is het percentage emotioneel instabiele kinderen. Eigenlijk zou je iedereen psychologisch moeten testen, maar dat is moeilijk te realiseren. In de praktijk is er een duidelijke correlatie tussen gedragsproblemen, opleidingsniveau van de ouders, en de mate van stress in een woonwijk. Op grond van dit gegeven zou je bijvoorbeeld kunnen bepalen dat op scholen het percentage kinderen van zeer laag opgeleide ouders niet hoger dan dertig mag zijn. Als je nadenkt over `gemengde' scholen, kan je beter dit criterium gebruiken. Ras, etniciteit of de tijd dat iemand in een bepaald land is, maken in eerste instantie niets uit.

Als dit een stap te ver is, moeten we in ieder geval durven erkennen hoe groot de ordeproblemen zijn en moet zonder schroom worden gesproken over harde maatregelen die nodig zijn om scholen emotioneel en fysiek veilig te maken. Dat kan om te beginnen door kinderen met gedragsproblemen van het vmbo te weren en speciale oplossingen voor hen te vinden. Dan wordt dat ,,geweldige pedagogische klimaat'' op het vmbo eindelijk voelbaar.

De Amerikaan Bowen Paulle studeerde Amerikaanse Studies aan de Brandeis University en sociologie en geschiedenis aan de New School for Social Research in New York. Hij doceert nu Engels aan het Mendelcollege in Haarlem en werkt aan een proefschrift over de vraag hoe kinderen zich handhaven op probleemscholen in New York en Amsterdam.