Vlees uit de bio-industrie zou niet verkocht moeten worden 1

1In de schappen van de Nederlandse supermarkten behoren geen producten te liggen die gemaakt zijn met behulp van de arbeid van slaven of kinderen. Het is een elementaire fatsoensnorm om deze producten niet te verkopen, ook al zijn deze aanmerkelijk goedkoper dan die van de onfatsoenlijke concurrent. Deze fatsoensnormen zijn onder andere vastgelegd in een aantal (mensen)rechten die beogen de ene mens te beschermen tegen uitbuiting door de andere mens.

Dieren hebben die rechten niet. Er is niemand die dieren in de bio-industrie daadwerkelijk kan beschermen tegen verregaande vormen van uitbuiting. Zoals Maarten Huygen terecht constateert (Opinie & Debat, 13 maart) heeft ook de consument geen boodschap aan het dierenleed in de bio-industrie. Men weet ervan, maar de mens bezit het unieke vermogen om zijn geweten uit te kunnen zetten, bijvoorbeeld als het gaat om goedkope aanbiedingen in de winkel. Dat gaat zelfs zo ver dat we mensen tegen mensen moeten beschermen. Laat staan, anonieme dieren waar niemand een band mee heeft, omdat ze voor de mens onzichtbaar opgesloten zitten in dichte stallen. Het is dan ook onlogisch te denken dat juist de consument door zijn gedrag in de supermarkt de dieren zal beschermen. De eenvoudigste weg is vlees uit de bio-industrie gewoonweg niet te verkopen, bijvoorbeeld omdat supermarkten dit via een convenant onderling afspreken of omdat de overheid dit aan de supermarkten oplegt. Een dergelijk convenant bespaart miljoenen dieren een hoop ellende en voor een paar dubbeltjes per 100 gram creëren we voor ons zelf een beter geweten en een fatsoenlijker maatschappij.