Van barbarij naar Verlichting

De Kunstkamera en de Academie van Wetenschappen in het Sint Petersburg van tsaar Peter de Grote vormden samen een modern kenniscentrum. Documentaire tekeningen van objecten in de collectie zijn dankzij een Nederlands-Russisch samenwerkingsverband nu geïnventariseerd.

Tientallen liters alcohol waren aanwezig bij de opening van de tentoonstelling in de Kunstkamera in Sint Petersburg, september vorig jaar. Maar het was geen wodka en ook geen jenever. De alcohol bevond zich in met lak of stopdeksels afgedekte flessen en daarin dreven foetussen, misgeboorten, weefsels, organen en dieren. Ze verbleven daar al meer dan drie eeuwen en zagen er zo fris uit alsof ze de dag tevoren waren geprepareerd. Deze bizarre opstelling maakte deel uit van de grote collectie naturalia die op instigatie van tsaar Peter de Grote naar Sint Petersburg waren vervoerd. Het grootste deel daarvan was afkomstig van twee destijds gerenommeerde Nederlandse verzamelaars: de anatoom Frederick Ruysch en de apotheker Albertus Seba. De alcoholrijke, maar verder geheel in stijl verlopende bijeenkomst, betrof de opening van een nieuwe opstelling van een deel van de natuurlijke preparaten die in het bezit zijn van de Kunstkamera, het oudste als museum ontworpen gebouw van Europa, onderdeel van de Petersburgse afdeling van de Russische Academie van Wetenschappen. Russische en Nederlandse specialisten hebben met steun van Nederlandse fondsen deze preparaten geïnventariseerd en waar nodig met conservatorische ingrepen weer toonbaar gemaakt.

Ook bij een ander historisch project werkten Nederlanders en Russen samen. Dat betrof de inventarisering en beschrijving van een omvangrijke collectie tekeningen van enkele duizenden objecten – naturalia en artificialia – die ooit stonden opgesteld in de Kunstkamera. De catalogus van die tekeningen verscheen vorige maand.

Peter de Grote (1672-1725) begon in 1703 met de aanleg van de ideale stad die zijn naam zou krijgen en waarvan vorig jaar het driehonderdjarig bestaan werd gevierd. De eerste aandacht ging uit naar de utilitaire en militaire kanten van zijn stad: vestingwerken, scheepswerven, ijzergieterijen, een infrastuctuur van wegen en kanalen, woningen en natuurlijk ondernemende immigranten. Maar toen de stad vaste contouren begon aan te nemen deed zich ook bij Peter de behoefte voelen de meer intellectuele zaken een plaats in zijn droomstad te geven. Op zijn reizen door Europa had hij als een omnivoor niet alleen de technische en commerciële ontwikkelingen van de westerse samenleving met eigen ogen waargenomen, ook had hij uitvoerig studie gemaakt van opleidingsinstituten, van bibliotheken en verzamelingen. Dat wilde hij ook. En met de hulp van buitenlandse – vooral Duitse en Nederlandse – geleerden, die hij naar de in 1724 opgerichte Academie van Wetenschappen wist te lokken, een vrijwel onbeperkt aankoopbudget en een aantal visionaire architecten wist hij in enkele decennia op die plek de sprong te maken van barbarij naar Verlichting.

bloederig

Op de eerste van zijn twee reizen door Nederland, in 1697, was Peter al diep onder de indruk geraakt van de vele grote verzamelingen die burgers daar hadden aangelegd. Bij Frederick Ruysch, hoogleraar anatomie en botanie aan het Amsterdams Athenaeum Illustre, had hij diens grote verzameling preparaten bezichtigd. Ruysch had zich ontwikkeld tot een scherpzinnig anatoom, die met een onbewogen precisie het medische snijdersvak beoefende. Omdat de anatomische les een bloederige bezigheid was, eigenlijk ook slecht zichtbaar voor het altijd omvangrijke publiek, en omdat lijken nauwelijks houdbaar waren, was hij tot het didactische inzicht gekomen dat het gebruik van preparaten onontbeerlijk was. Hij ontwikkelde een nieuwe techniek om organen en weefsels te conserveren door vloeibare was in de bloedvaten spuiten en ze bovendien levensecht te kleuren. Die preparaten conserveerde hij in glazen potten met alcohol. Het bijzondere is niet alleen die precieze prepareertechniek, typerend was ook de moeite die Ruysch deed om die preparaten er mooi, zelfs esthetisch te laten uitzien. Om de afschrikwekkende aanblik te temperen gaf hij zijn skeletten bevallige houdingen en stelde hij ensembles samen van rotspartijtjes opgebouwd uit nierstenen en koralen met daarop de skeletje van foetussen. Ook bij zijn natte preparaten paste Ruysch een `verzachtende' ingreep toe. Hij voorzag de lichaampjes en de lichaamsdelen van kraagjes, mutsjes en armbanden. Zo werd het aanschouwen van de dood dragelijker.

Ruysch' collectie stond opgesteld in zijn huis aan de Nieuwezijds Voorburgwal en werd vermaard in heel Europa. Het effect moet verpletterend zijn geweest. Ruysch hield een bezoekersboek bij en daarin komen honderden namen voor van vorsten, geleerden en nieuwsgierige burgers uit binnen- en buitenland. Hun opmerkingen en talloze observaties in reisbeschrijvingen geven aan hoezeer de mensen geraakt waren door deze aanblik van de veresthetiseerde dood. Het is geen wonder dat ook Peter de Grote verbijsterd was en op zijn knieën zonk bij de aanblik van zoveel dode wonderen. En dat hij hier plannen ontwikkelde die hij pas een kleine twintig jaar later ten uitvoer zou brengen. Toen wist hij binnen een jaar twee grote natuurhistorische verzamelingen aan te kopen, de grootste in Nederland en wellicht ook van heel Europa. In 1716 liet hij zijn agent, de Schotse arts Robert Areskin, de verzameling van de Amsterdamse apotheker Albertus Seba opkopen. Deze nieuwsgierige en gewiekste koopman had in zijn huis op de Haarlemmerstraat een onwaarschijnlijk grote collectie naturalia aangelegd, van dieren uit de Oost en de West, van planten en van schelpen. Deze collectie ging voor 30.000 gulden over in Russische handen. Een jaar later verkocht Frederick Ruysch zijn museum aan de tsaar voor 15.000 gulden.

De twee Amsterdamse reuzenverzamelingen werden veilig naar Sint Petersburg verscheept. Het verhaal dat de verzamelingen gehavend aankwamen omdat de matrozen niet van de alcohol konden afblijven is een fabeltje. Dat bewijzen de keurig bewaard gebleven inventarissen en verschepingsbescheiden. Er deed zich echter een heel ander probleem voor: een plaats om al deze curiositeiten op te stellen. Toen de kratten met de honderden glazen potten, de kasten en lades en kisten aan de oevers van de Newa stonden, was er geen plek om de zaak op te stellen.

Peter had al eerder een deel van de tsaristische hofverzameling laten overbrengen van Moskou naar Sint Petersburg, naar zijn zomerpaleis aan de Newa en later naar het paleis van vorst Kikin. Maar omdat de aankopen van kabinetten van zeldzaamheden, boeken en kunstvoorwerpen onverminderd voortgingen, werd ook dit paleis te klein. Daarom besloot hij in 1718 een apart museum te bouwen. Dit werd de Kunstkamera op de zuidelijke oever van het Vasili-eiland. Het is het eerste gebouw in Europa dat uitdrukkelijk als een openbaar museum was bedoeld, toegankelijk voor alle geïnteresseerden en gericht op kennisverwerving en -vermeerdering. Alle andere grote verzamelingen waren in die tijd privé-bezit en niet of slechts gedeeltelijk openbaar. Wie vanaf de Newski Prospekt langs de Hermitage richting Newa loopt en de Dvortsovybrug oversteekt, ziet links het klassieke pastelgroen gepleisterde gebouw met zijn centrale toren. De bouw duurde van 1724 tot 1732. Peter heeft de voltooiing dus niet meer meegemaakt.

De combinatie van Kunstkamera en Academie kan het beste worden omschreven als een `kenniscentrum'. Het was een werkelijk modern instituut. Hier werden een bibliotheek, een sterrenwacht, een laboratorium en een anatomisch theater gecombineerd met een onmetelijke hoeveelheid naturalia en artefacten.

Ook de verzameling artefacten werd op grote schaal aangevuld. Etnografica, antiquiteiten, munten en penningen en Chinese objecten werden aangekocht door Russische agenten in West-Europa, of verworven tijdens de grote, vaak jaren durende expedities naar Siberië, China en de Kaspische Zee. Een oekaze ging uit om archeologische vondsten te rapporteren en over te brengen naar Sint Petersburg.

De meeste van die objecten zijn destijds in opdracht van de Academie van Wetenschappen getekend. Die tekeningen zijn in de loop der jaren, samen met de objecten, verspreid geraakt over verschillende musea en instellingen: dat is het lot van alle vroegmoderne wetenschappelijke verzamelingen. Een tweede samenwerkingsverband tussen Nederlanders en Russen heeft tot doel gehad die tekeningen op te sporen, te beschrijven en te fotograferen.

Die tekeningen, voornamelijk aquarellen, bevinden zich in het archief van de Academie van Wetenschappen, in de Hermitage en in het Russisch Museum in Sint Petersburg en worden deels nog bewaard in de oorspronkelijke kartonnen dozen. Het moeten er 6.000 zijn geweest, inmiddels zijn er ruim 2.000 teruggevonden. Van geen enkel vroegmodern museum in Europa is bekend dat het bezit zo uitvoerig is getekend.

Om deze tekeningen op te sporen, wetenschappelijk te beschrijven, te fotograferen en zo mogelijk te combineren met de oorspronkelijke objecten werd een Nederlands-Russisch samenwerkingsproject opgezet dat gefinancieerd werd door NWO – de publicatie van de catalogus werd mogelijk gemaakt door enkele particuliere fondsen. De activiteiten rond de Kunstkamera in Sint Petersburg passen in de grote cultuurhistorische belangstelling voor de geschiedenis van het verzamelen, die de laatste vijftien jaar sterk is toegenomen. Er verschenen publicaties over kunstcollecties en wetenschappelijke verzamelingen in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië en Engeland, waar ook het Journal of the History of Collections wordt uitgegeven. Er zijn tentoonstellingen en congressen georganiseerd en al het onderzoek maakte duidelijk welke grote rol verzamelingen op het gebied van natuur, archeologie, etnologie en andere disciplines – bij gebrek aan laboratoria en studiecollecties bij de reguliere universiteiten – hebben gespeeld in het wetenschappelijk discours.

Voor het Kunstkamera-project hebben met name de historica Renée Kistemaker, voormalig hoofd Museale Zaken van het Amsterdams Historisch Museum, en de Amsterdamse kunsthistorica Debora Meijers zich organisatorisch en inhoudelijk sterk ingezet. Het is een project dat gezien de geografische afstand, de taalproblemen en de verschillende opvattingen die zich binnen de twee landen en binnen de verschillende disciplines openbaarden, niet altijd even soepel is verlopen.

Voor het onderzoek naar de tekeningen werden Russische specialisten uit de verschillende vakgebieden ingeschakeld die alle teruggevonden tekeningen op een uniforme wijze hebben beschreven. In vele gevallen hebben ze ook het originele object terugvonden. Alle beschreven tekeningen zijn opgenomen in het vorige maand (in het Russisch) verschenen boek Het `Getekende Museum' van de Academie van Wetenschappen in Sint Petersburg, 1725-1760. Het bevat een aantal inleidingen, waarna het thematisch naar objectgebied geordende catalogusgedeelte volgt. Zo komen we achtereenvolgens de dieren tegen, de planten, de gesteenten, de wetenschappelijke instrumenten, de etnografica, de kunstvoorwerpen, de kleding en de Chinese objecten. Het boek bevat een aantal kleurenillustraties, het hele corpus wordt bijgeleverd op een cd-rom.

De meeste van deze tekeningen werden gemaakt tussen 1730 en 1760 in een tekenatelier dat ook bij de Academie behoorde en waar Russen onder leiding van Nederlandse en Duitse kunstenaars tekenonderricht kregen. Het ligt voor de hand te denken dat deze tekeningen de basis moesten vormen voor een grote geïllustreerde catalogus. Maar het doel was eerder, aldus het onderzoek van Debora Meijers, om een visuele `database' samen te stellen. Bij onderzoek kon men snel de benodigde afbeeldingen bij elkaar hebben; dat ging veel gemakkelijker dan het weghalen van de objecten uit de opstelling, met alle gevaar van beschadiging. Een tweede functie kan zijn geweest dat deze tekeningen bij publicaties van leden van de Academie gebruikt konden worden als voorbeeeld voor een prent. Goed mogelijk is dat ook bij wetenschappelijke correspondentie relevante tekeningen werden gekopiëerd en meeverzonden.

aankoopbeleid

De nu gedocumenteerde tekeningen maken het veel beter dan voorheen mogelijk om (samen met een vroege catalogus en een achttiende-eeuwse museumgids) inzicht te krijgen in de vroege opstelling van de Kunstkamera. Vaak is op die tekeningen aangegeven waar het bijbehorende object stond opgesteld. En zo is nu zaal voor zaal, kast voor kast en plank voor plank nauwkeurig voor te stellen hoe de Rus van 300 jaar geleden zich heeft kunnen verbazen over de wonderen der natuur en over de objecten die op vele plekken ter wereld door mensenhand geschapen werden, van Chinese kleding en porselein tot Duitse uurwerken en van barnstenen bestek tot Perzische armbanden van goud. De tekeningen geven daarnaast informatie over het toenmalige aankoopbeleid, de wijze van registratie en daardoor over de toenmalige stand van wetenschap in vele disciplines. In principe is het nu mogelijk de hele vroeg-achttiende-eeuwse Kunstkamera in oude staat terug te brengen. Dat zou virtueel of in werkelijkheid een interessante reconstructie zijn, want van een dergelijke opstelling is er in heel Europa nauwelijks meer een over.

Een indruk van het soort objecten dat men er destijds kon bekijken kreeg men vorig jaar ook op de tentoonstelling Palast des Wissens. Die Kunst- und Wunderkammer Zar Peter des Großen, in Dortmund en Gotha. De twee uitstekend geïllustreerde boeken die daar bij verschenen (een deel essays en een deel catalogus) geven een vertekend beeld van de hele collectie. Ze leggen namelijk de nadruk op de kunstvoorwerpen, terwijl in de achttiende eeuw juist de naturalia verre in de meerderheid waren. Bij de essays valt op hoezeer de Russen de hele Kunstkamera als een Russische aangelegenheid zien. In werkelijkheid was het gezien de internationale onderzoekers en kunstenaars die er aan verbonden waren een typisch Europees verschijnsel. Bij elkaar geven deze publicaties uitstekend weer wat een prestatie het geweest is van de mannen rond de Petersburgse Akademie die, met het ideaal van een encyclopedie van de wereld voor ogen, zoveel schatten bijeen hebben gebracht.

Renée E. Kistemaker, Natalja P. Kopaneva, Debora J. Meijers, George Vilinbachov (samenstelling en redactie): Het `Getekende Museum' van de Academie van Wetenschappen in St. Petersburg, 1725-1760. Uitgeverij Europeiski Dom, Sint Petersburg, deel I, 318 blz. ISBN 5-8015-0161-4. Deel 2 verschijnt binnenkort. Inl: eurohouse@nm.ru.

In 2004 zal bij Edita, de uitgeverij van de KNAW, een Engelstalige versie verschijnen.

Brigitte Buberl en Michael Dückersdorf (red.): Palast des Wissens. Die Kunst- und Wunderkammer Zar Peters des Großen. Hirmer Verlag, München. Deel 1 Katalog (287 blz.), deel 2 Beiträge; 327 blz. €69,50

ISBN 3-7774-1086-1