Er was altijd wat te vieren

De zondagskrant leeft weer in Nederland: morgen komt de Telegraaf met een zondagskrant, twee weken geleden verscheen al het eerste nummer van De Twentsche Courant Tubantia op Zondag. Krijgen deze zondagskranten ook te maken met tegenvallend advertentieaanbod, moeizame bezorging, gebrek aan nieuws en andere dingen die begin jaren negentig de eerste krant op zondag in Nederland opbraken? `Het journalistieke geheugen is kort.'

Frank Volmer, commercieel directeur van De Telegraaf, heeft haast. Over drie weken moet `zijn' zondagskrant bij zo'n 575.000 abonnees in de bus glijden, maar slechts een kwart van de gereserveerde advertentiepagina's is verkocht. Hij heeft ,,veel opties, maar weinig toezeggingen'' meldt Volmer in De krant van morgen, een RTL4-documentaireserie over de aanloopfase van de zondagskrant, waarvan vanavond het laatste deel wordt uitgezonden. Terwijl we hem in sneltreinvaart het land zien doorkruisen om adverteerders te werven, meldt een voice-over dat 65 procent van de `zevende krant' wordt gefinancierd uit advertenties. Als dat maar goed gaat, denkt de argeloze kijker. En jawel, aan het eind van de uitzending wordt gemeld dat Volmer zijn vakantie heeft geannuleerd. `Hoe het afloopt ziet u volgende week.'

Bijna elf jaar moest Nederland het zonder zondagskrant doen. Maar morgen lanceert dagblad De Telegraaf er weer een – twee weken nadat De Twentsche Courant Tubantia op Zondag voor het eerst van de persen rolde. Heeft de zondagskrant wel kans van slagen in Nederland? En waarom ging het mis bij voorlopers De Krant op Zondag en HP/De Tijd op Zondag?

Een ding is zeker: bij de lancering van zíjn zondagskrant, op 14 oktober 1990, toonde journalist Pieter Storms heel wat minder koudwatervrees dan Frank Volmer nu. Storms had dan ook minder te verliezen. Hij werkte niet voor een verlieslijdend concern, dat nieuwe lezers en adverteerders aan zich moest zien te binden. Als journalist wilde hij simpelweg zijn jongensdroom vervullen. Daarvoor had Storms twaalf investeerders bereid gevonden om een startkapitaal van tien miljoen gulden op tafel te leggen. ,,En onder die investeerders bevonden zich niet de minsten'', benadrukt de producent van het tv-programma Breekijzer. Joep van den Nieuwenhuyzen, Maup Caransa, Willem van Kooten, John de Mol – ze waren allemaal overtuigd van de noodzaak van een Nederlandse zondagskrant. Samen bedachten ze een ludieke telemarketingcampagne, waarvoor zangeres Karin Bloemen werd ingeschakeld en Nederland in verschillende regio's werd opgedeeld. Storms: ,,We boden door het hele land abonnementen aan: voor zes weken, voor vier maanden, voor acht maanden en voor twaalf maanden. Vooral van het eerste abonnement werden er héél veel verkocht. Ik meen dat De Krant op Zondag op zijn hoogtepunt 125.000 abonnees telde.''

Andere oud-medewerkers betwijfelen dat – waarover later meer.

Overcompensatie

De redactie van De Krant op Zondag huisde in een mooi gekalkt pand in de Amsterdamse Huddestraat, op een steenworp afstand van het Amstelhotel. Twee grote lokalen van acht bij twaalf meter en een klein kamertje voor hoofdredacteur René de Bok, die Storms had ontmoet tijdens een persreis van touroperator Neckermann. Nadat coryfeeën als Henk Hofland en John Jansen van Galen voor de eer hadden bedankt, klopte Storms eind jaren tachtig bij De Bok aan. De voormalige Elsevier-redacteur: ,,Tijdens dat persreisje heb ik kennelijk een paar dingen gezegd die Pieter aanspraken. In zijn achterhoofd moet hij mij hebben gepositioneerd als een kandidaat voor het hoofdredacteurschap van een krant die nog moest verschijnen.'' De Bok zei `ja' omdat hij na zeventien jaar Elsevier aan iets anders toe was.

In de eerste weken was het enthousiasme op de redactie, die voornamelijk uit jonge, onervaren journalisten bestond, groot. De voorpagina van de tabloidkrant was weliswaar wat grauw, en de lay-out kon nauwelijks verrassend worden genoemd, toch trok de De Krant op Zondag de aandacht met koppen als `Nederland vrijhaven drugsgeld' en `Amsterdam centraal in Octopus-connectie'. Alleen de recensies van collega-kranten waren vernietigend. ,,Een journalistiek wanprodukt'' oordeelde Het Parool. Trouw sprak van ,,een tamelijk karakterloze verzameling van nieuws''. Oud-columnist Sylvain Ephimenco kan zich er nog over verbazen. ,,In Frankrijk heerst solidariteit onder journalisten. Hier schrijven ze elkaar kapot.''

Door die overwegend smalende reacties van vakbroeders gingen de redacteuren volgens hem ,,overcompenseren'' – een analyse waar toenmalig hoofdredacteur De Bok zich wel in kan vinden. Terugkijkend typeert hij de advertentietekst waarin een uitbreiding van de journalistieke staf werd aangekondigd, ruim een maand na verschijning van het eerste nummer, als ,,grotesk''. De Bok: ,,`De Krant op Zondag is een niet meer weg te denken instituut', stelden wij eigenwijs vast. Maar ja, hoe zwaarder de tegenkrachten, hoe belangrijker je jezelf maakt. Ik bleef tegen beter weten in roepen dat een krant op zondag hárd nodig is. Dat er véél nieuws is in het weekend.''

,,Het was sprokkelen'', herinnert toenmalig chef-redactie Jos Van Wersch zich. De sportredactie haalde op zaterdag veel nieuws. En er was zo nu en dan een congresje. Maar verder? Hij kan zich nog goed herinneren hoe een collega op zaterdagavond in juichen uitbarstte toen bekend werd dat popidool Freddy Mercury was overleden. Besmuikt: ,,We zijn gered, dacht ik.'' De verleiding moet voor sommige redacteuren groot zijn geweest om zelf nieuws te verzinnen, maar Van Wersch bestrijdt dat met klem. ,,Nooit! Hooguit hebben we af en toe wat scherp gekopt.'' Zo deed tijdens de eerste Golfoorlog het gerucht de ronde dat Saddam Hussein een gifgasaanval overwoog. Van Wersch: ,,Wij maakten er `Saddam dreigt met gifaanval' van. Op het randje, maar wel goed voor de verkoop.''

Met name Storms spaarde kosten nog moeite om zijn krant voor het voetlicht te brengen. `The big spender' was zijn bijnaam op de redactie. Zelf hield hij het er op dat `kwaliteit geen artikel in de uitverkoop is'. Adriaan Meij, die het businesskatern van De Krant op Zondag coördineerde, vertelt dat de uitgever in het eerste jaar een helikopter inhuurde om de Tour de France vanuit de lucht te kunnen registreren. ,,Als Pieter iets in zijn hoofd had, dan gebeurde het. Er was toch geld zat – dachten we.'' Iedere zaterdagmiddag bezorgde een cateraar luxe broodjes voor de hongerige redacteuren en bij het eenjarig jubileum huurde de krant theater Tuschinski af voor een feest. ,,Eigenlijk was er altijd wel iets te vieren'', zegt Trouw-columnist Ephimenco die zich vooral de vele drinkpartijen bij hotel Van der Valk langs de rijksweg nog goed kan herinneren. ,,Twintig flessen witte wijn waren op zo'n avond eerder regel dan uitzondering.''

Hoewel Storms op papier `slechts' directeur was, bemoeide hij zich in de praktijk veelvuldig met de inhoud van de krant. De Bok: ,,Hij had het altijd over het `Engelse model' waarbij hoofdredactie en uitgever nauw verweven zijn. In de praktijk kwam het erop neer dat hij op redacteuren afstapte met de mededeling dat ze een slecht verhaal geschreven hadden. En die redacteuren kwamen vervolgens bij mij uithuilen. Waarop ik weer een briefje aan Storms schreef: `ophouden daarmee'.'' Storms houdt vol dat hij zich alleen bemoeide met de openingskop van de krant. En de foto. Voor hem kon het niet spectaculair genoeg zijn, maar de redactie dacht daar anders over. Een paar van zijn koppen zouden hoe dan ook de krant halen. Zoals `Kerndreiging actueel' en `Mars op Saddam'.

Toch was ook De Bok niet vies van een beetje sensatie. De uitspraak `daar krijg ik geen harde schijf van' wordt door oud-medewerkers aan hem toegeschreven. Adjunct-hoofdredacteur Rien Robijns: ,,Een stukje over een tractor die in de sloot was gereden vond de Bok de krant onwaardig. Iets was al snel flutnieuws.'' Tijdens een bezoek aan Israël kwam De Bok op het idee om een verdacht koffertje in de Kalverstraat te plaatsen. ,,We zaten middenin de eerste Golfoorlog'', legt hij uit. ,,Saddam Hussein had gezworen zich op `yankee-marionetten' als Nederland te wreken. Ik wilde testen hoe alert Nederland is op de dreiging van terrorisme.'' De twee stagiairs die er op uit werden gestuurd plaatsten het koffertje per abuis voor de winkel van een joodse winkelier. ,,En ja, toen had je de poppen aan het dansen.'' Nog diezelfde avond moest hij tekst en uitleg geven bij Sonja op zaterdag. Tegen de twee stagiairs werd proces-verbaal opgemaakt en de toenmalige politievoorlichter Klaas Wilting besloot de krant voorlopig te boycotten vanwege haar `onverantwoorde en ongepaste' journalistieke handelwijze.

Maar de vraag `hoe veilig is Nederland' bleef De Bok bezighouden. En dus stuurde hij zijn verslaggevers naar Hoogovens, Schiphol en de kerncentrales bij Borssele en Dodewaard om uit te zoeken hoe gemakkelijk het was om verboden terrein te betreden. `Zo lek als een mandje' stelde de krant vast. Met onderzoeksjournalistiek kon de krant zich onderscheiden, concludeerde zowel De Bok als Storms. En naarmate andere kranten de onthullingen van De Krant op Zondag vaker overnamen – een interview van Ton Elias met PvdA-fractievoorzitter Wöltgens over de stopzetting van werkloosheidsuitkeringen haalde alle landelijke dagbladen, evenals een verhaal over de betrokkenheid van ABN Amro bij het witwassen van cocaïnewinsten – toonden bekende Nederlanders zich meer genegen hun naam aan de krant te verbinden. Zoals Theo van Gogh, wiens column over `dementerende oma' Juliana tot aller verbazing niet op een reprimande van de Rijksvoorlichtingsdienst kon rekenen. Integendeel. Nog geen maand na Van Goghs tirade viel kroonprins Willem-Alexander op een voetbalveld op de Waalsdorpervlakte te bewonderen in een shirt met de opdruk `De Krant op Zondag'.

Maar hoe spraakmakend De Krant op Zondag ook kon zijn, feit en fictie liepen vaak door elkaar, vindt oud-columnist Friso Endt. ,,Ik herinner me dat Storms tijdens een redactievergadering meldde dat hij via het geruchtencircuit had vernomen dat toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek met zwart geld een villa had gekocht in Wassenaar. ,,Of wij dat even wilden uitzoeken. Bespottelijk. Ik ben meteen uit de vergadering opgestapt.''

Mismanagement

Toch was het volgens oud-medewerkers niet de gebrekkige redactionele kwaliteit die De krant op zondag de kop kostte. En zelfs het mismanagement wordt door de meesten van hen niet als voornaamste verklaring aangevoerd. Belangrijker was dat grafisch personeel door de toenmalige CAO niet op zondag mocht werken, waardoor de krant naar de zetterij van uitgever Van Thillo van Het Laatste Nieuws in België moest uitwijken. Niet alleen waren de kosten voor het maken van een zondagskrant aanzienlijk hoger dan die van een doordeweekse krant, ook moest een deel van de redactie iedere zaterdagavond naar Brussel afreizen. De verslaggevers van de Amsterdamse redactie leverden het ruwe materiaal aan, de Brusselse redactie – die voornamelijk uit oud-redacteuren van Het Vrije Volk bestond – bepaalde welke artikelen de krant haalden en welke plek ze kregen toebedeeld. Die machtsverdeling leidde geregeld tot aanvaringen.

Ook de distributie vormde een geldverslindend probleem. Nederland kende begin jaren negentig nog geen koopzondagen; de krant was alleen verkrijgbaar bij benzinestations. Van het voornemen om de krant bij abonnees te bezorgen kwam weinig terecht, getuige de niet aflatende stroom telefoontjes van woedende abonnees op maandagochtend. Het gerucht ging dat bezorgers van landelijke kranten door krantenconcerns De Telegraaf en Wegener te verstaan werd gegeven dat hun contract zou worden opgezegd als ze ook De Krant op Zondag `deden'. Grote pakketten kranten belandden daardoor in sloten en portieken. Redacteuren reageerden gelaten. ,,Er is opnieuw geen enkele reden tot bezorging'' merkte De Bok op nadat de krant in grote delen van het land opnieuw niet was aangekomen.

De eerste kreukjes in het bolwerk in de Huddestraat werden al na een paar maanden zichtbaar. Van luxe broodjes stapte de krant over op de snackbar om de hoek. Freelancers wilden nog geen jaar na oprichting van de krant weten waarom hun openstaande rekeningen niet waren betaald. En het kon ook niemand ontgaan dat er in het voorjaar van 1992 een computerfirma arriveerde die alle apparatuur in beslag nam, omdat de krant in gebreke was gebleven. Ephimenco: ,,Wat ik de leiding kwalijk neem is dat ze ons al die tijd hebben doen geloven dat het goed ging. We zouden zo'n 100.000 abonnees hebben, maar nadat de krant was opgedoekt bleken het er veel minder te zijn. Dat móét al die tijd bekend zijn geweest.'' Zelfs hoofdredacteur De Bok stak zijn kop in het zand, geeft hij toe. ,,Ik had geen zicht op de oplage en omzetcijfers. Op mijn vragen om informatie werd door de directie schimmig gereageerd. Enerzijds was dat frustrerend, anderzijds gaf het ook een gevoel van opluchting; je wílde de feiten ook niet onder ogen zien.''

Opvallend was wel dat de aandeelhouders zich buiten het zicht van de redactie steeds meer begonnen te roeren. Met name Storms bracht menig goodwill-bezoek aan investeerders als Caransa en Van den Nieuwenhuyzen, maar ook hij kon op den duur niet verhullen dat de advertentieomzetten en oplagecijfers achterbleven. De Bok: ,,John de Mol, Maup Caransa en Willem van Kooten ontbrak het aan enig benul van journalistieke processen. Ze begrijpen niet dat een nieuwe krant een lange adem nodig heeft.'' Hij wijst op de totstandkoming van de zondagskrant van The Independent. ,,Daar hebben ze eerst dertien maanden proefgedraaid voordat ze met het echte werk begonnen. Wij zijn vanuit het niets gestart. En na drie weken werd er door onze investeerders al becijferd wat het zou kosten om te stoppen. Zo kun je niet werken.''

Alleen Joep van den Nieuwenhuyzen (,,ik kijk met veel plezier terug op die hele onderneming'') wist van geen ophouden. Tot vlak voordat de krant failliet ging, in mei 1992, maakte hij bedragen aan de drukkerij in Brussel over. Tegen die tijd draaide de krant 1 miljoen gulden per week verlies, schat de latere bewindvoerder Allard Voûte. Tezamen hadden de aandeelhouders naar schatting veertig miljoen gulden in het project gestoken, waarvan volgens Voûte meer dan een kwart uit de zak van Van den Nieuwenhuyzen kwam. De ondernemer zelf wil geen bedragen noemen. ,,Dat is privé.''

In een laatste poging De Krant op Zondag te redden klopte Voûte aan bij het Bedrijfsfonds voor de Pers. Daar werd hem geadviseerd Storms ,,te dumpen'', waarop Voûte de directeur inderdaad verzocht terug te treden. Vervolgens ging de bewindvoerder op zoek naar een aandeelhouder die de zogenoemde `fiscaal compensabele verliezen' wilde hebben – een belastingconstructie om toekomstige winst te verlagen. Voûte vond zo iemand, maar wil diens naam nog steeds niet prijsgeven. Volgens zowel Storms als zijn voormalige mede-directeur Ton van Grieken gaat het om tv-magnaat John de Mol. Storms: ,,De Mols zus Linda verdiende geld in Duitsland. Naar ik heb vernomen heeft hij die inkomsten verrekend met de verliezen in de bv De Krant op Zondag om op die manier de belastingdruk te verminderen.'' De Mols woordvoerder onderstreept dat De Mol de compensabele verliezen destijds ,,op een fiscaal correcte manier'' heeft gekocht. ,,Maar niet in het bijzonder om ze te verrekenen met de winsten van de activiteiten van Linda in Duitsland.''

Op 15 september 1992 ging de rechtbank akkoord met Voûte's voorstel om Hollandse Pers Unie (HPU) de kans te bieden een zondagskrant op te zetten. De uitgeverij van onder meer HP/De Tijd kocht uit het faillissement van De Krant op Zondag voor 250.000 gulden 29.000 adressen van abonnees: 1.800 jaarabonnementen, 5.100 halfjaarabonnementen en 22.100 kwartaalabonnementen. Daarnaast waren er nog 39.000 proef- en wervingsabonnementen. ,,Gezien het ontbreken van investeringsmiddelen ging het HPU eerder om die adressen dan om het opbouwen van een echte zondagskrant'', vermoedt voormalig financieel redacteur van De Krant op Zondag, Adriaan Meij. Maar bewezen is het nooit, dat het abonneebestand van de De Krant op Zondag zou zijn opgekocht om financiële bronnen te vinden voor een nieuwe zondagskrant, waarvan na opheffing de abonnees de gelederen van het opinieweekblad HP/De Tijd zouden moeten versterken.

Kleurrijk

Alle geruchten ten spijt verscheen het eerste nummer van HP/De Tijd op Zondag op 19 oktober 1992. De krant was opvallend kleurrijk en bestond naast nieuws uit interviews, reportages, essays en boekrecensies. De vijftienkoppige redactie, die deels afkomstig was van de eerste zondagskrant, stond onder leiding van Daan Dijksman en Gerard Driehuis, de huidige directeur van dagblad Twentsche Courant Tubantia, die twee weken geleden zijn eerste zondagskrant presenteerde. Aanvankelijk zou Dijksman de dagelijkse leiding op zich nemen en had Driehuis als algemeen hoofdredacteur van zowel HP/De Tijd als de zondagskrant de eindverantwoordelijkheid. Maar de twee hadden een journalistiek verschil van mening: Driehuis vond dat een zondagskrant het nieuws van de vorige dag moest brengen, Dijksman zag meer in lange achtergrondverhalen. Het conflict liep zo hoog op dat Driehuis uiteindelijk het nieuwsdeel voor zijn rekening nam en de achtergronden aan Dijksman overliet.

In een jubileumnummer van HP/De Tijd uit 2000 beschrijft redacteur Gerard Mulder waarom ook HP/De Tijd op Zondag geen lang leven beschoren was. Het conflict tussen Driehuis en Dijksman is volgens hem niet doorslaggevend geweest, ,,al werd de discussie tussen de heren over geld en overwegbotsingen langer, scherper en onverkwikkelijker''. Dijksman stond er volgens hem niet altijd bij stil wat al die achtergrondverhalen en essays van medewerkers als Henk Hofland, Jeroen Brouwers en Annemarie Oster kostten. Hij was niet de enige. Want net als bij De Krant op Zondag leken de bomen aanvankelijk tot in de hemel te groeien. Rond kerst werd de voltallige redactie naar Italië gevlogen, om de eigen verrichtingen twee dagen lang te vieren. En niet zonder gevolgen. In het laatste kwartaal van 1992 werd het begrote bedrag van een half miljoen gulden met zeven ton overschreden. Die overschrijding, de zondagse bezorgproblemen en de tegenvallende advertentie-inkomsten waren er volgens Mulder uiteindelijk de oorzaak van dat uitgever Hans van Brussel in het voorjaar van 1993 de geldkraan dichtdraaide.

Net als Ephimenco van De krant op Zondag vindt Van Brussel dat ,,de media'' HP/De Tijd op Zondag nooit een eerlijke kans hebben gegeven. Andere kranten en tijdschriften waren volgens hem ,,als de dood'' dat het experiment zou slagen. ,,Waarom een krant in zeven dagen maken als het ook in zes dagen kan – dat was de algemene houding. Want áls het was gelukt, hadden andere kranten moeten volgen.'' Van Brussel verdenkt sommigen, onder wie de huidige directeur van Audax, Nico van Zetten, ervan dat ze opzettelijk geruchten verspreidden over de continuïteit van HP/De Tijd op zondag. ,,Van Zetten was toen hoofd exploitatie van Elsevier Magazine en wij kregen van meerdere bevriende mediaplanners (mensen die bedrijven adviseren waar hun advertenties het beste tot hun recht komen, red.) signalen dat hij op pad ging met een map negatieve publicaties uit het Algemeen Dagblad, dat toen nog deel uitmaakte van het Elsevier-concern. Als er één krant zwaar oppositie heeft gevoerd tegen HP/De Tijd op Zondag is het het AD.''

Wie de berichtgeving uit die tijd er op nakijkt komt tot een andere conclusie. De toon van het Algemeen Dagblad is neutraal-positief. Pas als HP/De Tijd op Zondag ter ziele is, komt de omslag. `Chantage van twee heren bij Hollandse Pers Unie' bericht het AD op 25 maart 1993. Mede-eigenaren Roel Glasbeek en Jan Lenferink van Hollandse Pers Unie verwijten directeur en grootaandeelhouder Van Brussel dat hij door slecht ondernemerschap het voortbestaan van de overige bladen (onder meer het weekblad HP/De Tijd) in gevaar brengt. Van Brussel is woedend. ,,Wij functioneren naar behoren'' laat hij in het Algemeen Dagblad van 17 april weten. ,,Ook rond HP/De Tijd op Zondag hebben we geen onverantwoorde risico's genomen.''

Tegenvallende advertentieverkoop, een moeizame bezorging, morrende drukkers die niet op zondag willen werken, gebrek aan nieuws – het zijn ook zaken waar De Telegraaf en Twentsche Courant Tubantia mee te maken kunnen krijgen. En toch wagen de kranten het er op. Gerard Driehuis is als directeur van Twentsche Courant Tubantia minstens zo optimistisch als hij twaalf jaar geleden was als hoofdredacteur van HP/De Tijd op Zondag. Met 130.000 abonnees, een vast bezorgersnet en een eigen drukkerij gaat zijn nieuwe krant op zondag het zonder meer redden – al was de computerstoring in het eerste weekend ,,wat ongelukkig''. Heeft hij in alle interviews die hij de afgelopen weken gaf ook maar één vraag gekregen over de teloorgang van zijn vorige zondagskrant? ,,Nee'', grijnst hij. ,,Het journalistieke geheugen is kort.''