Een schijn van kans 2

Naar aanleiding van het artikel `Een schijn van kans' (W&O, 13 maart) moet mij het volgende van het hart.

Met statistiek zal nooit overtuigend bewijs geleverd kunnen worden omdat niet alle parameters (uitputtend) meegeteld en gewogen kunnen worden. Dat is een ervaringsfeit.

In de verpleging tellen talloze vragen, die niet berekend kunnen worden. In de jaren 1966-1970 deed ik een opleiding verpleegkunde in het Prinsengracht-ziekenhuis in Amsterdam, toen ongeveer met 120 bedden. Per jaar werd er twee maal een groep van 12-14 verpleegsters in de opleiding toegelaten. Er waren veel oncologiepatiënten.

Aan het eind van de opleiding bleek dat een vriendin uit mijn jaar nul overleden patiënten had afgelegd en ik dertig! Hoe kon dat? Wáár houdt het toeval op? De verbondenheid van ons `jaar' was groot en hierover hebben we ook met elkaar gesproken. Wat bleek: er was een groot verschil in houding en gedrag t.o.v. ziekte en dood. De ene verpleegkundige vermeed doodzieke mensen méér dan de ander. Je kon in onze opleiding al in je derde jaar subhoofd van een van de vijf afdelingen worden; dan had je meer een administratieve functie.

Ook ervaring met het fenomeen doodgaan speelde een rol. Ik had thuis mijn vader tot zijn dood verpleegd. In het ziekenhuis – later – schrok ik minder van een noodbel van patiënten in de stervensfase dan mijn collega's. Kennelijk was ik verder in het verwerken van `de dood'. Niet bang meer. Er waren zelfs patiënten die `wachtten' met doodgaan tot ik terug was na vrije dagen. Euthanasie speelde in die tijd geen rol; pijn en lijden werden verzacht met opklimmende doses morfine, die wij allen op voorschrift van een arts toedienden.

Volgens de methode Elffers zou er dus wat aan de hand geweest zijn. Wat? Samen met een collega kreeg ik wel vaak de `zwaarst zieke' patiënten te verplegen. Maar verklaart dát het verschil van 0 of 30 afgelegde patiënten? En hoe verklaart Bayes dat? Toch niet door de aannemelijkheidsverhouding te vermenigvuldigen met de prior odds, want van beide weet men in bovenstaand geval niets zeker. Mijn collega's en het vermijden waren per dag verschillend, de patiënten waren wisselend, de dood was elke dag/elk uur anders en ik zelf was ook niet elke dag dezelfde.

Kortom: het lijkt mij beter om de statistiek in de zaak Lucia de B. te laten voor wat het is. Beter zou zijn als een paar rechters een aantal dagen en nachten eens meeliepen met verpleegkundigen als `verpleeghulp'.