`Bemiddeling' werkt prima bij kinderruzies

Bemiddeling door ouders is een uitstekende manier om ruzies tussen kinderen op te lossen. Bij bemiddeling (mediation) gaat het om gestructureerd niet-autoritair ingrijpen waarbij de ruziemakers begrip moeten krijgen voor elkaars standpunt en zelf oplossingen moeten zoeken. Jongere kinderen (tussen 4 en 10 jaar oud) komen dankzij deze aanpak sterker in de schoenen te staan en gaan zich meer richten op de verbetering van onderlinge verhoudingen. De hoeveelheid ruzies neemt niet af, maar de sfeer is beter. Dit blijkt uit een onderzoek door twee psychologen van de Canadese University of Waterloo, Asfhan Siddiqui en Hildy Ross (Journal of Family Psychology, maart).

Mediation, een techniek die is ontwikkeld voor de oplossing van arbeidsconflicten, wordt de laatste jaren steeds vaker op andere terreinen toegepast, soms zelfs als alternatief voor rechtsspraak. Dit is het eerste onderzoek naar de effectiviteit bij kinderruzies. Inzake kinderruzies bestaan twee scholen in de psychologie en pedagogiek. De ene zegt dat ouders zo weinig mogelijk moeten ingrijpen omdat kinderen alleen dan leren de ruzies zelf op te lossen. De andere school ziet wel positieve kanten aan ouderlijk ingrijpen: minder ruzie, minder spanning. Siddiqui en Ross merken op dat ouders in de praktijk beide scholen lijken te volgen: ze grijpen pas in als de ruzie uit de hand loopt en (meestal fysiek) geweld dreigt. Opmerkelijk is dat het ouderlijk ingrijpen in bijna de helft van de gevallen al een paar uiterlijke kenmerken van mediation heeft: ouders grijpen even in, maar laten de oplossing van het conflict aan de kinderen over. Het is geen echte mediation omdat ze zich niet opstellen als een zorgvuldige bemiddelaar, maar hun gezag gebruiken (`Houdt daarmee op!').

Siddiqui en Ross vergeleken twee groepen van telkens 24 moeders en hun kinderen (tussen 4 en tien jaar oud), waarbij in de ene groep de moeder wel een bemiddelingstraining kreeg en in de andere groep niet. Na de training moesten alle moeders een week lang dagelijks een dagboek inspreken over de ruzies tussen hun kinderen en hun eigen optreden daarin. Vervolgens kwamen moeder en kinderen naar het lab om één ruzie-onderwerp samen te bespreken, met individuele nabespreking voor alle deelnemers. Na een maand werden de moeders nogmaals ondervraagd.

De meeste ruzies gingen over bezit, rechten (op het beheer van de afstandsbediening bijvoorbeeld) en pesten. De moeders met de bemiddelingstraining pasten de bemiddelingstechniek enthousiast toe op vrijwel alle ruzies in hun gezin. De controle-moeders legden meestal simpelweg een oplossing op aan de kinderen, of grepen helemaal niet in. Na een maand meldden de moeders in de bemiddelingsgroep dat ze nog altijd minder emotioneel en kalmer met de ruzies omgingen. Ook de kinderen toonden zich tevreden met de mediation. Ze hadden bijvoorbeeld veel sterker dan de kinderen uit de controlegroep de overtuiging dat ze zèlf hun conflicten konden oplossen. De psychologen suggereren twee redenen waarom bemiddeling ondanks dit snelle succes nog altijd weinig wordt toegepast door ouders. Bemiddeling nog altijd typisch een techniek uit de volwassenenwereld en misschien kwamen de ouders eenvoudigweg niet op het idee het op kinderen toe te passen. En ten tweede kost bemiddeling tijd.