Aandoenlijk

Het vmbo is ontstaan uit de samenvoeging van mavo met vbo. Het aldus ontstane nieuwe schooltype herbergt meer dan de helft van alle leerlingen. Met de invoering ervan zijn we alle jongeren die de basisschool verlaten op gaan delen in twee categorieën: leerlingen die wel en die niet goed kunnen leren.

Het niveau van de minder goede leerlingen varieert van `de havo net niet haalbaar', althans niet op het moment waarop het zwaard van de tweedeling viel, tot halve analfabeten. Daar komt bij dat het nieuwe schooltype ook nog eens plaats moest inruimen voor leerlingen die vroeger in gespecialiseerde instellingen werden begeleid: moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen met een handicap. Vmbo staat dus voor van alles wat.

Omdat de tweedeling in het voortgezet onderwijs grotendeels samenvalt met de sociale achtergrond van de leerlingen, heeft de invoering van het vmbo geleid tot een maatschappelijke tweedeling waaraan het, veel meer dan in het verleden, moeilijk is te ontsnappen. Want was vroeger in geval van een mavo-advies in principe alles nog mogelijk, met de komst van het vmbo is dat niet meer het geval.

Vanwege het definitieve karakter van de schoolkeuze hebben ouders er veel voor over om te voorkomen dat hun kinderen naar het vmbo moeten. Daardoor werpt die tweedeling zijn schaduwen reeds vooruit in het basisonderwijs dat van de ouders de dwingende opdracht krijgt er alles aan te doen om te voorkomen dat hun kind naar het vmbo wordt verwezen.

Guus Valk probeerde in het Zaterdags Bijvoegsel van vorige week te achterhalen hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat politici en beleidsmakers ooit hebben besloten tot de invoering van dit onderwijskundige wangedrocht. De reacties waren onthutsend. Een impressie: de ontwikkeling had een eigen dynamiek, het is een schoolvoorbeeld van overschatting van wat je met beleid kunt bereiken, ik stemde voor omdat ik geen steun kreeg uit andere fracties, er zitten weeffouten in de wet, de invoering is veel te hard gegaan, een sneeuwbaleffect, we hebben het dichtgemetseld, als we met een plan bezig zijn verliezen we de neveneffecten uit het oog, wij ambtenaren gevormd door de ideeën van Van Kemenade over gelijke kansen waren vooral bevlogen, naïef optimisme. Ter verduidelijking: dit waren dus niet de reacties van critici maar van degenen die verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de invoering van het vmbo.

Daar word je niet vrolijk van, maar zo mogelijk nog treuriger is in mijn ogen de reactie van Kars Veling. Die stemde als lid van de Eerste Kamer namens de Christen Unie indertijd voor de invoering van het vmbo. Maar als rector van een school, voerde hij dat besluit niet uit. Zijn mavo-afdeling maakt, geheel in strijd met de intentie van de wet, deel uit van de vestiging voor havo en vwo. Een school, vindt hij, moet resistent zijn tegen overheidsplannen. Dat zegt een politicus die er mede verantwoordelijk voor is dat schooldirecties en leraren werden opgezadeld met een onmogelijke opdracht. Behalve dan degenen die zich, gelijk deze schizofreen, er niets van aantrokken.

Maar gelukkig beschikt de politiek nog immer over een Jan Stavast die er wel in gelooft: het lid van de Tweede Kamer voor de VVD Clemens Cornielje. `Ik hóud van het vmbo', aldus zijn publieke liefdesverklaring. Heel aandoenlijk, hoe hij dat doodgeboren kindje koestert. Net zo aandoenlijk is de reactie van Netelenbos die als staatssecretaris het vmbo baarde. Die troost zichzelf met de gedachte dat het vmbo slechts schijndood is. Dus niet zeuren, niet klagen, het komt allemaal vanzelf goed. Heerlijk mens.

prick@nrc.nl