`Wet niet bedoeld om Pronk te weren'

Een conflict met minister Verdonk over een woord leidt vanmiddag zeer waarschijnlijk tot het aftreden van Jan Pronk als voorzitter van de vluchtelingenorganisaties. Staat de minister in haar recht?

Met een beetje gevoel voor drama kun je het zien als het einde van het poldermodel. Ogenschijnlijk is het conflict tussen Jan Pronk, voorzitter van de Vluchtelingorganisaties Nederland (VON), en Rita Verdonk, minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, niet meer dan een akkefietje tussen twee bestuurders. Hun gehakketak over de lading van het woord `deportatie' in verband met het asielbeleid lijkt echter het gevolg van een verzakelijking van de verhoudingen tussen politiek en belangenbehartigers. En het roept de vraag op of de minister in haar recht staat.

Eind januari gebruikte Pronk het woord `deportatie' voor het eerst in relatie tot Verdonks uitzettingsbeleid voor uitgeprocedeerde asielzoekers, bij Nova. Op een vraag van de presentator erkende hij dat het ,,een heel zwaar woord'' was. Daarop volgende een briefwisseling tussen Verdonk en Pronk, waarin werd getwist of het woord `deportatie' wel of niet onvermijdelijke associaties oproept met de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging.

Op 10 maart liet Verdonk aan de VON weten dat ze niet over bezwaren tegen het beladen woord heenstapt. Door dat ene woord, dat Pronk weigerde terug te nemen, wordt ,,niet alleen de integriteit van mijn beleid in twijfel getrokken, het raakt ook de handelingen die ambtenaren zullen moeten verrichten ter uitvoering van dat beleid''. Verdonk liet weten dat Pronk niet welkom was bij het aanstaande overleg tussen minister en minderhedenorganisaties. Het VON mocht komen, maar niet met Pronk als vertegenwoordiger.

Verdonk verwees hierbij naar artikel 4, tweede lid, van de Wet overleg minderhedenbeleid: ,,Onze Minister is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van het Landelijk overleg minderheden uit te sluiten van het overleg indien naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang dit vordert.'' Volgens Verdonk is er bij het uitsluiten van Pronk een `algemeen belang' gediend.

Volgens Peter Nicolaï, advocaat en docent bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam, gebruikt Verdonk de wet voor ,,een oneigenlijk doel''. Nicolaï: ,,Het algemeen belang is er mee gediend dat het overleg plaatsvindt. Je kunt alleen iemand uitsluiten als die het functioneren van dat overleg frustreert of onmogelijk maakt. Een persoonlijk meningsverschil is iets anders dan het functioneren van het overleg. Deze wet is niet bedoeld om personen die kritiek hebben op haar beleid uit te sluiten.'' Volgens Nicolaï bepaalt Verdonk ten onrechte welke kritiek al dan niet gepast is.

Ook John van Tilborg, vice-voorzitter van de VON, betwijfelt of het `algemeen belang' geldt. ,,Naar ons idee is hier sprake van een zogeheten detournement de pouvoir, gebruikmaken van een bevoedheid waar deze niet voor is bedoeld.'' Dat de minister wil bepalen wie het VON afvaardigt naar het overleg, vindt Van Tilborg ,,vreemd''. ,,Ik kan niet anders concluderen dan dat Verdonk een persoonlijke vete met Pronk uitvecht.'' De raad van aangeslotenen, het platform van de door VON vertegenwoordigde vluchtelingenorganisaties, besloot gisteravond op een bijeenkomst in Zwolle dat Pronk moet aanblijven als voorzitter.

De Wet overleg minderhedenbeleid werd ingevoerd op 19 juni 1997, onder verantwoordelijkheid van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal (VVD). De wet is een schoolvoorbeeld van de wijze waarop het kabinet Kok-I het poldermodel formaliseerde. Zeven clubs werden uitverkoren om minimaal drie keer per jaar met de minister (toen Binnenlandse Zaken, daarna Grote Steden- en Integratiebeleid, nu Vreemdelingenzaken en Integratie) te overleggen over voorgenomen kabinetsbeleid ten aanzien van minderheden en integratie. De minister treedt op als voorzitter van dit Landelijk Overleg Minderheden. Naast de VON, de koepelorganisatie en belangenbehartiger van zo'n 200 meest regionale en lokale vluchtelingeninitiatieven, zijn organisaties vertegenwoordigd van Molukkers, Surinamers, Antillianen, Turken, Marokkanen en Tunesiërs en Zuid-Europeanen.

Terugkijkend noemt Dijkstal twee motieven om de wet in te voeren. ,,We wilden de rol van de inspraakorganen verankeren. Niet iedereen was overtuigd van de noodzaak van die inspraak, op deze manier wisten we zeker dat het plaatsvond. Ons belang was ook om zeker te zijn van de representativiteit van de organisaties.'' Ook het bewuste artikel vier diende vooral om de representaviteit van de deelnemers te waarborgen, aldus Dijkstal.

,,Ik kan me niet herinneren dat dit artikel is bedoeld om mensen uit te sluiten, bijvoorbeeld mensen met een dubieuze achtergrond. Ik ken niet alle details van dit conflict maar de reactie van zowel Pronk als Verdonk lijkt me buitenproportioneel. Iedereen in het land lijkt zich er nu mee bezig te houden. Zo belangrijk is het echt niet'', zegt Dijkstal.

Een minister die bepaalde personen uitsluit van een wettelijk vastgelegd overleg als einde van het poldermodel? Is dezelfde situatie denkbaar in andere delen van het polderland? Een woordvoerder van Lodewijk de Waal, voorzitter van de vakcentrale FNV: ,,In het overleg met de sociale partners is het uitgesloten dat bijvoorbeeeld de voorzitter van de werkgeversorganisaties zou zeggen: ik wil niet met De Waal, maar wel met bestuurder Heerts van de FNV praten. Dat is uitgesloten. Zo ga je niet met elkaar om.'' Zo'n conflict zou ons nooit overkomen, zeggen ze stellig bij de FNV. ,,We blijven altijd met elkaar praten, naar oplossingen zoeken.''