Terreurbestrijding is kwestie van dóen

De aanslagen in Madrid leren Europa vooral de les dat afspraken over terreurbestrijding alleen zin hebben als ze ook worden nageleefd.

Eurocommissaris António Vitorino had vandaag, op de spoedvergadering van de EU-ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken in Brussel, maar één boodschap: sinds `9/11' hebben de lidstaten een hele batterij anti-terreurmaatregelen goedgekeurd, maar het heeft ze aan de wil ontbroken om daar ook optimaal gebruik van te maken.

Nieuwe bureaus opzetten voor terreurbestrijding, vindt de eurocommissaris, klinkt de verontruste burgers misschien krachtdadig in de oren – maar in de praktijk heeft het totaal geen zin. De bestaande maatregelen zijn goed, als ze tenminste eindelijk naar behoren worden gebruikt. Daarbij, het duurt jaren voordat nieuwe instellingen echt functioneren.

De meeste EU-landen zijn het met Vitorino's analyse eens. Zo zeiden de Franse president Jacques Chirac en de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder dinsdag in Parijs dat ze niets voelen voor het plannetje van de Belgische premier Guy Verhofstadt om een nieuw centrum op te richten voor de uitwisseling van informatie tussen nationale veiligheidsdiensten.

,,Politici zijn er bij een crisis vaak als de kippen bij om grootse voorstellen te doen, om de burgers te laten zien: Kijk, we doen van alles!'', zegt een diplomaat. ,,Soms blijkt dan na een paar jaar dat er van die beloftes weinig terecht is gekomen. Dit keer weerstaan de meesten die verleiding. En, nog mooier: ze geven zelfs toe dat ze zich na de aanslagen in de VS niet hard genoeg hebben ingespannen om een goede Europese terreurbestrijding op poten te zetten.''

Aan het aantal maatregelen ligt het niet. Sinds `9/11' hebben de lidstaten een waslijst aan regelingen getroffen om terreur te bestrijden. Dat gaat van justitiële samenwerking tot samenwerking tussen politie en veiligheidsdiensten; van het onderscheppen van geldstromen van terroristen tot scherpere grenscontroles; van betere preventie van nucleaire, chemische en biologische aanvallen, tot terrorismeclausules in verdragen met landen buiten de EU.

Velen noemen het een mirakel dat er zó veel is besloten: als het over politie, justitie of veiligheidsdiensten gaat, hebben de Europese regeringen immers een ingebakken wantrouwen tegen alles wat naar uitwisselen of samenwerken riekt. Elk land heeft zijn eigen wetten, prioriteiten en geheimen. Dat behoort tot het erfgoed. Daarom nemen ze wèl besluiten over landbouw met een bepaalde meerderheid, maar over justitie en binnenlandse zaken niet. Elk land heeft op dat gebied nog een veto, waar vaak mee gedreigd wordt. Daardoor verloopt de besluitvorming lastig en traag. En áls er een besluit is, kan het tijden duren voordat alle landen het in hun nationale wetgeving hebben `omgezet'. En nóg langer voordat het echt werkt.

Dat gebrek aan follow-up is hét probleem van de Europese terreurbestrijding. Alleen al op juridisch terrein wordt de samenwerking er enorm door belemmerd. Zo hebben vijf landen, waaronder Nederland, het Europese arrestatiebevel, dat het voor bepaalde misdaden mogelijk maakt dat een uitleveringsverzoek voor een verdachte uit het ene land automatisch door het andere land wordt ingewilligd, nog niet in de nationale wetgeving omgezet. Ook de gezamenlijke definitie van `terrorisme', waar in elk land minimaal bepaalde straffen op horen te staan (in sommige landen was terrorisme tot voor kort niet strafbaar), is in drie landen nog niet omgezet. Beide afspraken dateren van eind 2001.

Een derde juridisch hulpmiddel, een EU-convenant uit 2000 over `wederzijdse bijstand in criminele aangelegenheden', is pas in vier landen geratificeerd. Een regeling om het terroristen lastiger te maken om aan geld te komen en het wit te wassen, uit 2001, is evenmin in alle landen goed doorgevoerd (tot nog toe zijn er maar honderd bankrekeningen bevroren, waarop 1,6 miljoen euro stond).

Dat geldt ook voor het besluit om gezamenlijke onderzoeksteams op een bepaalde zaak te zetten. Regelingen over cyber-terrorisme en erkenning van elkaars besluiten om geld en bezittingen te confisqueren, zijn nog steeds niet rond. Tenslotte stuit Eurojust, het bureau in Den Haag dat gerechtelijk onderzoek coördineert en helpt bij verzoeken om rechtshulp, nog geregeld op weigerachtig gedrag van nationale magistraten.

Ook de samenwerking tussen de veiligheids- en politiediensten loopt verre van soepel. Europol, dat de informatie-uitwisseling tussen deze diensten op zich neemt, krijgt volgens een Commissie-woordvoerder ,,meer verzoeken om informatie dan informatie''. Politie en veiligheidsdiensten in sommige landen sturen hun gegevens er maar mondjesmaat heen. En dan wordt de meest gevoelige informatie er soms uitgefilterd – die over terrorisme.

Ook zijn er sinds 2001 allerlei `Task Forces', `Teams' en `Werkgroepen' in het leven geroepen voor politiechefs, veiligheidsexperts en terreurbestrijders. Daar worden nuttige contacten gelegd. Maar er komt weinig concreets uit, en er is geen contact tussen die groepjes onderling. En veel deelnemers, die gewend zijn aan totale geheimhouding, houden belangrijke informatie aan de borst. Voor deze agenten is ,,een mentaliteitsverandering'' nodig, zei minister Remkes deze week.

De Europese Commissie nu aan een gezamenlijk systeem voor vingerafdrukken op paspoorten en aan één databank waarin elk land precies aangeeft welke visa het aan wie heeft verstrekt. Ook werd er in EU-verband al vóór Madrid gesproken over de uitwisseling van gegevens van passagiers in vliegtuigen (een milde variant van het Amerikaanse systeem). Met dit soort maatregelen zijn de grenzen beter te bewaken, zegt een Brussels diplomaat. ,,Honderd procent veiligheid tegen aanslagen kun je de burger niet geven. Maar het kan veel, veel beter dan nu.''