Niet in alles een man

Het ziekenhuisbed schijnt een goede plek te zijn voor mijmering en overdenking. Rosita Steenbeek raadt haar lezers in haar nieuwe boek Intensive Care (zie de bespreking op de volgende pagina) nog net niet aan om het zelfs een uit te proberen, maar het scheelt niet veel. Ook Willem Kuipers, voormalig kunstredacteur van de Volkskrant liet zich voor zijn eerste roman, De werkplaats, inspireren door een verblijf in het ziekenhuis, aanvankelijk ook op intensive care. In beide gevallen wordt er teruggekeken op een familiegeschiedenis en in beide gevallen rouwen de hoofdpersonen om de dood van hun vader en in beide gevallen prijzen ze zich gelukkig dat ze respectievelijk een auto-ongeluk en een hartinfarct hebben overleefd.

Wel kiest Willem Kuipers duidelijk voor een bredere aanpak dan Steenbeek. Bij zijn hoofdpersoon, de 58-jarige Wytze Benner, komen, door zijn kritieke toestand, `geheel vergeten beelden, woorden, zinnen en versregels' boven, die hem onder meer terugvoeren naar de Tweede Wereldoorlog, toen hij nog maar een klein jongetje was. Hij probeert die beelden, woorden en zinnen alsnog te plaatsen en op die manier `de verloren tijd' terug te halen – niet voor niets ligt Proust op zijn nachtkastje.

In de loop van de roman tekent zich een oorlogstrauma af. Objectief gezien heeft hij als kleuter weinig opzienbarends meegemaakt. Vader, moeder, broers en zussen hebben allemaal de oorlog overleefd, het ouderlijk huis bleef ongedeerd en niemand hoefde onder te duiken. Maar leed is subjectief, en dan blijken de bezettingsjaren zoveel indruk te hebben gemaakt dat hij zich nooit meer helemaal heeft kunnen bevrijden van de oorlog. Dat werd ook nog bemoeilijkt door het feit dat zijn halve familie – van moederskant – tot de veelgesmade moffen bleek te behoren, in het door de geallieerden aan flarden gebombarbeerde land, met alle verwarring van dien. Maar na vijftig jaar wil hij er wel eens vanaf en hij spreekt zichzelf krachtig toe: `O Wytze, hou er toch godverdomme mee op, die kolere-oorlog.' Want Kuipers laat zijn personages graag eens wat stoere taal uitslaan.

Meer nog dan een oorlogsboek is De werkplaats een klassiek geval: van een zoon op zoek naar zijn onbereikbare vader. Om goed uit te laten komen dat met deze vader niet te spotten viel, wordt hij steeds `de baas' genoemd. Hij was niet alleen de baas in `de werkplaats', een wagenmakerij aan de rand van Utrecht, maar ook thuis sprak niemand hem tegen, ook zijn vrouw Mieze niet. Veel reden was daar ook niet voor, want de baas was streng doch rechtvaardig. Hij sloeg wel eens, maar niet uit sadisme of machtswellust. En hij gaf aan iedereen het goede voorbeeld door altijd hard te werken. Wars van `rooien', dikdoeners, profiteurs en meelopers. Ruwe bolster blanke pit. Man uit één stuk. Wytze heeft nog altijd een hoge pet op van zijn `onsterfelijke held', maar klaagt ook dat het nooit tot een echt gesprek kwam tussen vader en zoon. `O', denkt Wytze, in zijn vaak net iets te gezwollen, net iets te `literaire' taaleigen, `laat toch eindelijk, eindelijk een flits van inzicht mijn duister getob doorstralen. Vader, spreek.'

We zijn dan ongeveer op driekwart van de roman en hebben er al heel wat getob opzitten. Hier is iemand aan het woord die nergens helemaal bij hoort. Er is geen hoger inzicht voor nodig om te begrijpen dat dit wellicht aangeboren is. De hartpatiënt Wytze probeert zijn brokkelige jeugdherinneringen aan elkaar te lijmen. Hij is erachter gekomen dat hij tijdens en vlak na zijn infarct, in `de ure des doods', aan zichzelf was overgeleverd en bij niets of niemand steun vond. `Niet bij Vera, zijn vaste geliefde [...], niet bij zijn zoons, niet bij zijn werk [...], niet bij zijn kunst, de lyriek voorop, zijn films, zijn muziek'.

Die eenzelvigheid lijkt mij een karakterkwestie. Als kind al werd hij immers `stille Wytze' genoemd. Gewoon praten met iemand was er nooit bij en nog altijd geeft hij blijk van een weinig evenwichtige gevoelshuishouding. De ene keer vreemd onbewogen, `een Fries huilt niet', de andere keer overlopend van sentiment, wanneer bijvoorbeeld een oude vriend in het slop blijkt te zijn geraakt. `Tot aan het ochtendlicht' staat er dan, `had Wytze schokkend, in een stuip haast, niet te stillen, gejankt gejankt alsof hij scheurde, openscheurde, terwijl Vera hem vasthield, als een kind, hem vasthield en zijn tranen trachtte te stelpen, maar dat was [...] onbegonnen werk want aan haar handen zaten minder vingers dan Wytze kogelgaten in zijn lichaam had.'

In verschillende episoden probeert Kuipers ons deelgenoot te maken van de verschillende Wytzes die er zijn, want anders dan de vader is de zoon geen man uit één stuk. Het meest zichzelf is hij nog in de werkplaats, als achtjarige, als hij een klusje uitvoert. Maar naarmate het boek vordert zien we hem in uiteenlopende rollen, die hem er er niet speciaal sympathieker op maken: als slimste jongetje van de klas, als cultureel correcte gymnasiast, als onverzadigbare masturbant, als anti-communist, als moraalridder, soldaat, zuipschuit, cynische journalist, rokkenjager en straatschuimer. En door dit alles heen schemert steeds een ietwat pathetische jongeman, met heimwee naar vader, moeder en veilige werkplaats.

Kuipers' ziekenhuisepos heeft een eigenaardige ontknoping en een abrupt einde. Het verleden wordt hier niet in kaart gebracht, of herwonnen, maar overhaast naar buiten gekieperd. Hier had meer in gezeten, en tegelijk had het ook wel wat korter gekund. Misschien kan Kuipers zijn zijn zoektocht naar de verloren tijd nog eens hernemen en er een compacter, samenhangender en misschien ook iets lichtvoetiger verhaal van te maken.

Willem Kuipers: De werkplaats. Cossee, 320 blz. €19,90