In het rijk van de kluizenaar

Met Madrid is de terreur weer dichterbij gekomen. Maar hoe staat het inmiddels met de andere leden van de As van het Kwaad? Het communistische regime van Noord-Korea slaagt er niet in zijn bevolking te voeden, maar geeft zelf nog steeds geen krimp. Amerikaanse experts proberen het simplistische beeld van het land te corrigeren.

Kim Jong-il is de dictator van een verarmd en eigenlijk onbetekenend land. Toch heeft hij een speciale plek veroverd in het hart van president George W. Bush. `I loathe Kim Jong-il,' zo heeft Bush nadrukkelijk verklaard. Kim – de `pygmee' in een andere kwalificatie van de Amerikaanse president – volhardt stug in zijn confrontatie met de Verenigde Staten en behoudt zich het recht voor om kernwapens te ontwikkelen. Die houding werd beloond met het lidmaatschap van de beruchte As van het Kwaad, die Bush noemde in zijn State of the Union-toespraak twee jaar geleden. De na de val van de Berlijnse Muur uitgeroepen overwinning van het liberalisme erkent Kim niet. Hij schippert verder met een archaïsche, communistische economie in een land dat geteisterd wordt door hongersnoden. Landgenoten die protesteren verdwijnen in kampen, anderen vluchten de grens met China over.

Zou het dezer dagen nog mogelijk zijn om ook maar één positief woord te horen over dit `wonderland van Alice'? Jazeker. Vele Koreanen hebben nog altijd ambivalente gevoelens over het regime in Noord-Korea. Neem de tachtigjarige, in ballingschap levende Koreaan Cheong Kyung-mo, die afgelopen zomer in Tokio terugkeek op zijn werk als tolk voor de Amerikanen tijdens de onderhandelingen met China en Noord-Korea. Daarmee kwam in 1953 een einde aan de extreem bloedige Koreaanse Oorlog. Kyung-mo: `Ik schaamde me ervoor Zuid-Koreaan te zijn toen de Noord-Koreaanse generaal Yong Nam-il de kamer binnenstapte. Hij was lang, zag er goed uit en had waardigheid. Hij was zeer indrukwekkend.' Dat de VS en haar bondgenoten (waaronder Nederland) tijdens die oorlog voor de vrijheid van de Zuid-Koreanen zouden hebben gevochten, noemt Cheong simpelweg `leugens'.

De laatste jaren zijn vele boeken verschenen over beide Korea's, noord en zuid, zowel over het tragische verleden als over de recente crisis en de te volgen strategie. Boeken in deze laatste categorie zijn vooral gemotiveerd door een lage waardering voor het Korea-beleid van Bush. Wat Noord-Korea betreft heeft hij vooral naam gemaakt door `gewoon te zeggen wat hij denkt', zonder oog te hebben voor de consequenties. Het is moeilijk een specialist op het gebied van modern Korea te vinden die hier een goed woord voor over heeft. `Onhandig' is nog een van de meest vriendelijke kwalificaties.

Alleen wie wil ontsnappen aan de clichébeelden over Noord-Korea kan begrip krijgen voor de gevoelens van iemand als Cheong, voor de anti-Amerikaanse demonstraties die regelmatig in democratisch Zuid-Korea plaats hebben, en voor de bereidheid van Zuid-Korea tot ontspanning met de dictatuur in Noord-Korea. North Korea. Another Country van Bruce Cumings is daarbij zeer behulpzaam. Cumings, hoogleraar aan de Universiteit van Chicago, is een van de meest vooraanstaande, hedendaagse Koreanisten. Hij vestigde zijn naam met een diepgravende studie naar de oorzaken van de Koreaanse Oorlog, The Origins of the Korean War, en schreef onder meer een uitstekende inleiding over de geschiedenis van modern Korea: Korea's Place in the Sun.

Cumings' nieuwste boek is echter van een geheel andere aard. North Korea. Another Country is een aanklacht tegen zijn eigen Verenigde Staten, die weigeren iets te begrijpen van de situatie op het Koreaanse schiereiland. Noord-Korea is het land dat `Americans love to hate', stelt Cumings. Hij doet zelf ook geen poging vrienden te maken door de berichtgeving in gerespecteerde Amerikaanse kranten en tijdschriften over Noord-Korea aan de kant te schuiven als merendeels `onbetrouwbaar, vaak sensationeel en over het geheel falend in het informeren van het publiek.'

Het is niet moeilijk verontwaardigd te zijn over de wandaden van het Noord-Koreaanse regime. Cumings maakt ook geen geheim van zijn afkeer van wat hij omschrijft als een `garnizoensstaat'. Maar wat te doen met die verontwaardiging? Een oorlog om het regime af te zetten, zoals Rumsfeld heeft gesuggereerd? Afgezien van de chaos in de regio die dat zou veroorzaken, zou een oorlog volgens schattingen zeker een miljoen slachtoffers eisen en het schiereiland terugbrengen naar de steentijd. De VS kunnen zonder problemen Noord-Korea geheel in de as leggen. Noord-Korea zelf heeft duizenden artilleriestukken gericht staan op de zuidelijke hoofdstad Seoul, die slechts enkele tientallen kilometers van de grens ligt en meer dan tien miljoen inwoners telt. Bij een confrontatie verandert die moderne metropool in enkele minuten in een rokende puinhoop. Dan blijven de eventuele kernwapens nog buiten beschouwing – de Amerikaanse staan gericht op Noord-Korea terwijl niemand werkelijk weet hoever Noord-Korea is met de ontwikkeling van deze wapens.

Het zou te makkelijk zijn om de verantwoordelijkheid voor zo'n oorlog zonder meer in de schoenen te schuiven van Kim Jong-il, als de leider van een abject regime. Het is ook de vraag of dat zou worden geaccepteerd in het zuiden, waar men de afgelopen decennia juist met bloed, zweet en tranen zelf democratische rechten heeft veroverd op door de VS gesteunde dictatoren en nu streeft naar ontspanning met het noorden. Met het concept `preventieve oorlog' in gedachten, zien veel Zuid-Koreanen Bush als een grotere bedreiging voor de vrede dan Kim Jong-il.

In een poging te overleven speelt Noord-Korea al ruim een decennium nucleair poker, terwijl Amerikaanse presidenten stuntelen in hun pogingen hier een goed antwoord op te formuleren. Cumings schrijft in zijn inleiding: `Vroeg of laat zal een Amerikaanse president dit eindelijk begrijpen, zal de crisis eindigen, zullen ambassades worden uitgewisseld, en zullen de Amerikanen kunnen genieten van bezoeken aan het prachtige Kluizenaarsrijk en ontmoetingen met zijn onbekende, maar warme, trotse en waardige bevolking.' Ongeveer zoals de Amerikanen na een vergeefse oorlog uiteindelijk een manier vonden om met Vietnam om te gaan. Maar om zo'n toekomstvisioen te verwezenlijken is het nodig te begrijpen wie die `warme, trotse en waardige' inwoners van Noord-Korea eigenlijk zijn, en wat hun leiders motiveert.

Om dit uit te leggen loodst Cumings de lezer langs de belangrijkste thema's, zoals de kernwapencrisis, het dagelijks leven in Noord-Korea, het leiderschap en, om te beginnen, de tijd van de Japanse overheersing en de Koreaanse Oorlog. De latere Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk deelde in augustus 1945 in Washington met een simpel lijntje op een landkaart een land in tweeën dat al 1.300 jaar als politieke eenheid bestond. De deling en bezetting door twee supermachten leidde tot extreme polarisatie. Iedereen die een matigende rol in een verenigd land had kunnen spelen, werd vermalen in de splitsing. Links vluchtte naar het noorden, conservatieven vluchtten naar het zuiden. Het noorden kwam in de greep van de dictator en voormalig guerrillastrijder Kim Il-sung met een leger van Koreanen die waren gehard in jarenlange strijd aan de zijde van de Chinese communisten. Aan de zuidkant kwamen oude vijanden samen die eerder in Japans uniform hadden gevochten en nu onder leiding stonden van een Engels sprekende, van zijn land vervreemde dictator. Met de noordelijke inval in 1950 verhevigden de partijen een strijd die al lang bezig was, onder andere via een jarenlange guerrilla in Zuid-Korea zelf. De totale verwoesting van Noord-Korea door bombardementen van het interveniërende Amerikaanse leger maakt het begrijpelijk dat het noorden zich heeft ingegraven, aldus Cumings.

Cumings heeft een ongegeneerde en tegelijk complexe sympathie voor de Noord-Koreanen. Hij ziet ook hoe ze allemaal geketend zijn door de verplichte speldjes met het evenbeeld van Kim Il-sung op hun borst. Hij kijkt naar een aquarium en verzucht dat de goudvissen daar tenminste van verschoond blijven. Cumings weet dat volgens Amnesty International Noord-Korea minstens honderdduizend politieke gevangenen heeft. Vanuit het standpunt van de liberaal, zegt Cumings, is Noord-Korea onvrij. Maar voegt hij eraan toe: `Vanuit een Koreaans gezichtspunt, waar vrijheid ook is gedefinieerd als onafhankelijkheid van buitenlandse plunderaars, als vrijheid voor de Koreaanse natie, is het niet meer zo gemakkelijk om venijnige oordelen te geven.'

Het zou gemakkelijk zijn als deze visie aan de kant zou kunnen worden geschoven als de opvatting van een wereldvreemde professor. Maar dat kan niet, want juist deze invalshoek maakt begrijpelijk waarom iemand als de oude tolk Cheong sympathie heeft voor het noorden, waarom hij Bush vervloekt, en waarom zoveel Zuid-Koreanen welwillend staan tegenover Noord-Korea.

Cumings laatste hoofdstuk heeft de Nietzscheaanse titel `Voorbij goed en kwaad'. Het gaat er niet om of het regime in het noorden wel of niet `goed' is en of er desnoods met geweld regime change moet worden afgedwongen, meent hij. Het cruciale punt is dat Noord-Korea `een ander land' is, het land van de Koreanen zelf. De buitenwereld kan proberen het noordelijke regime de nek om te draaien, en het daarmee een excuus te geven om de `garnizoensstaat' in stand te houden. Maar de internationale gemeenschap zou er ook voor kunnen kiezen Koreanen in noord én zuid een kans te geven het gehele land naar eigen inzicht verder te ontwikkelen.

Cumings wil dat zijn landgenoten begrijpen dat ze een land ook eens met rust moeten kunnen laten. Wat achtereenvolgende regeringen in de Verenigde Staten maar niet kunnen begrijpen, is dat het regime in Noord-Korea, ondanks de propaganda die het tegendeel verkondigt, helemaal niet wil dat de VS het schiereiland verlaten. Juist de aanwezigheid van de Amerikanen in Zuid-Korea maakt het huidige pokerspel en het voortbestaan van het regime mogelijk.

Hadden de Koreanen in 1945 die kans gekregen hun eigen toekomst te bepalen, dan was het `zeer wel mogelijk' dat een communistische beweging in het hele land de macht had gegrepen, net als in China en Vietnam. Dat concludeert Charles Armstrong in The North Korean Revolution 1945-1950, een gedetailleerde studie van de beginjaren van het noordelijke regime, gebaseerd op de schat aan documenten die de Amerikanen tijdens de Koreaanse Oorlog uit het noorden hebben meegenomen. De kracht van het Noord-Koreaanse regime gaat nog steeds terug op deze beginperiode toen de partij `land, onderwijsmogelijkheden en een stem in het politieke systeem gaf aan miljoenen straatarme, ongeletterde boeren', aldus Armstrong, hoofd van het Center for Korean Research aan de Columbia Universiteit.

Het mag vreemd klinken in de huidige constellatie, maar het Noord-Koreaanse regime kwam tot stand op een grote golf van enthousiasme voor een sociale omwenteling in héél Korea. Dit is te begrijpen tegen de achtergrond van decennia Japanse overheersing, voorafgegaan door een absolutistisch koninkrijk. Tegelijkertijd zorgden de splitsing van het land en de Sovjet-bezetting van het noordelijk deel ervoor dat een relatief vreedzame revolutie plaats kon hebben. Grootgrondbezitters, collaborateurs met het Japanse regime en andere tegenstanders van verandering vluchtten naar het zuidelijke deel. De jonge, uit de Sovjet-Unie naar zijn vaderland teruggekeerde Kim Il-sung verwierf een ijzeren greep op partij en land. Zonder de ruggensteun van de sovjets was de pas 33-jarige Kim nooit als leider boven komen drijven.

De allesbepalende invloed op leven en denken van Kim Il-sung is de guerrillastrijd tegen de Japanners geweest, zo stelt Adrian Buzo in een werk dat dan ook de titel The Guerilla Dynasty draagt. Deze invloed werkt door tot op de dag van vandaag. In de jaren dertig vocht Kim in Mantsjoerije met een zeer klein legertje tegen de Japanners. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ging hij de grens over en werd hij officier in het Russische leger. Alleen de kameraden uit zijn Russische tijd vertrouwde Kim, en zij stegen dan ook naar de top van het land. Alle concurrenten, zelfs communisten in hart en nieren die jarenlang aan de zijde van Mao in China hadden gevochten, verdwenen naar de zijlijn of erger.

Wie nu naar populaire Noord-Koreaanse liedjes luistert of weleens het Noord-Koreaanse televisienieuws heeft gezien, kan slechts concluderen dat het land inderdaad nog steeds in oorlog meent te zijn. Deze permanente staat van oorlogsmobilisatie is enerzijds de kracht van het land, anderzijds is het verantwoordelijk voor politieke verstarring, stelt Buzo. Door de recente hongersnoden is duidelijk geworden dat de overheid niet eens meer in staat is voor haar bevolking te zorgen. Toch overleeft het regime, terwijl vergelijkbare regimes elders zijn verdwenen. Geen van de hier aangehaalde schrijvers weet een definitief antwoord te geven op de vraag waarom, en niemand durft een voorspelling over het einde te geven.

Hoe moet de wereld nu met dit regime omgaan? Een doorwrochte studie van Victor Cha en David Kang, docenten aan respectievelijk de Georgetown Universiteit en Dartmouth College in de Verenigde Staten, tracht hier een bevredigend antwoord op te geven, gemotiveerd door ergernis over het eendimensionale niveau van het Noord-Korea-debat in de de Amerikaanse politiek en media. Het boek heeft de vorm van een dialoog tussen deze twee specialisten, die vanuit afwijkende analyses van het regime en van de Amerikaanse beleidsopties, toch op hetzelfde antwoord uitkomen. Zij zijn het erover eens dat Noord-Korea noch irrationeel is, noch ongevoelig voor afschrikking. Ze verschillen van mening over de vredeswens van het noorden, de werkelijke waarde van afgekondigde hervormingen en de mate waarin Noord-Korea kan worden beschuldigd van het breken van het eerdere akkoord met de VS uit 1994 over het stilleggen van het kernwapenprogramma. De VS hebben dat akkoord evenzeer gebroken, stelt Kang, door de beloofde verbetering van de relatie niet werkelijk na te streven.

Desondanks is bij gebrek aan beter het aangaan van een dialoog de enige optie. Dat geldt ook voor haviken, meent Cha. Ook als een vorm van dialoog niet leidt tot een verzachting van het regime en verbetering van de veiligheidssituatie, dan nog zal effectieve samenwerking met landen in de regio de kans bieden om een coalitie op te bouwen voor werkelijk effectieve strafmaatregelen.

Juist het bevorderen van die regionale samenwerking is wat de regering-Bush in de beginjaren heeft nagelaten. De reden hiervoor is volgens Cha en Kang buitengewoon ernstig: het volledig ontbreken van een Amerikaanse langetermijnstrategie ten aanzien van Azië. De belangrijkste strategische verandering in de regio is de toenemende rol van de ontwakende reus China. Als de VS een rol willen blijven spelen in Azië, dan verdient dit alle aandacht.

Cha en Kang schreven hun boek afgelopen jaar vóórdat het zogeheten zes-landenoverleg met Noord-Korea in Peking goed en wel van start ging. Afgelopen maand had de tweede ronde plaats van dit overleg, dat precies laat zien hoe China langzaam maar zeker een centrale plaats in de regio opeist. Door jarenlang het overleg met Noord-Korea te mijden heeft de regering Bush aan Peking – de oude bondgenoot van Noord-Korea en een steeds betere partner van het zuiden – de kans gegeven om een sleutelrol op zich te nemen als initiatiefnemer, gastheer en voorzitter van de gesprekken. Zuid-Korea stelt inmiddels al voor om van dit overleg, waaraan naast beide Korea's, de VS en China ook Japan en Rusland deelnemen, een permanent overleg voor regionale veiligheidskwesties te maken. Ofwel: om de eigen veiligheid niet langer afhankelijk te laten zijn van een verdrag met één bondgenoot, de Verenigde Staten, maar om deze in te bedden in een regionaal overleg waarin Amerika slechts één van zes spelers is.

Eens zal er een verenigd Korea zijn, menen Cha en Kang. Dat Korea zal geen behoefte meer hebben aan Amerikaanse troepen op eigen bodem en zal verdere toenadering tot China zoeken – het herstel van een eeuwenoude relatie. Een vergrijsd Japan, met traditioneel slechte banden met de buren, resteert dan als laatste Amerikaanse buitenpost in Azië. Vanaf het moment dat de Amerikanen een eeuw geleden een overeenkomst sloten met Japan waarin ze de Japanse zeggenschap over Korea erkenden, `zijn Amerikaanse beleidsbeslissingen aangaande Korea ad hoc, reactief en gericht op de korte termijn geweest', stellen Cha en Kang. Ook de besluiten tot splitsing van het schiereiland en de interventie in de Koreaanse Oorlog kwalificeren ze als zodanig. `De vraag is of de VS in staat zijn de positie op het schiereiland op de lange termijn te overdenken, voorbij het probleem van Noord-Korea. [...] Op dat niveau zien de zaken er, eerlijk gezegd, niet goed uit.' Daar zou je de vraag aan kunnen toevoegen of Chinezen, Koreanen en andere Aziaten het wel zo erg zouden vinden als de Amerikaanse aanwezigheid langzaam maar zeker naar de rand van het werelddeel verdwijnt.

Bruce Cumings: North Korea. Another Country. The New Press, 241 blz. €25,30

Charles Armstrong: The North Korean Revolution 1945-1950. Cornell University Press, 265 blz. €20,30

Adrian Buzo: The Guerilla Dynasty. Politics and Leadership in North Korea. I.B. Taurus, 323 blz. €22,25

Victor Cha & David Kang: Nuclear North Korea. A Debate on Engagement Strategies. Columbia University Press, 265 blz. €28,15