Google maakt alles duidelijk

,,Voel je iets?''

Al vijf minuten druk ik mijn oor tegen de buik van M. alsof ik een dokter ben die zonder stethoscoop aan het afluisteren is. Buiten wordt het langzaam lente.

,,Het is nog te vroeg'', zeg ik, ,,we kunnen nog niets horen en voelen, over een paar weken ga je iets voelen. Wees niet zo hypochondrisch.''

Soms zie ik de toekomst: als Baby Rat zestien is slaat hij me op een middag volledig in elkaar. Hij houdt me verantwoordelijk voor de ellende in zijn leven. Iedere vuistslag moet mij aan die verantwoordelijkheid herinneren, elke tand die ik verlies is zeven maanden lijden.

Je zou het bijna vergeten tussen het tandenpoetsen door en het in huis halen van yoghurt M. moet veel yoghurt eten maar de toekomst is een roman.

Ik kan het uitleggen, al is het ingewikkeld, bovendien houd ik mijn oor tegen de buik gedrukt. Iedereen heeft zijn eigen demonen. M. is ervan overtuigd dat Baby Rat dood in haar buik woont.

Ik denk dat mijn baby, mocht ik ooit een baby maken, Adolf Hitler zal blijken te zijn en dat we om die reden meteen maar op het geboortekaartje moeten laten drukken: we noemen hem Adolf.

De vader van Baby Rat is een indiaan met dikke haren, hij woont in Zuid-Amerika, met zijn moeder, twee broers en twee honden. De tweede hond is een cadeautje van M. Zij heeft de hond naar mij genoemd om haar verloofde te laten wennen aan mijn aanwezigheid in hun leven. De hond is jong, heeft een witte vacht en luistert naar mijn tweede naam: Yasha.

Omdat de huizen daar niet groot zijn en de nachten koud, slapen de indiaan en hond Yasha in één bed. Ik zei al, het is ingewikkeld maar niet onoverkomelijk.

Er zijn uren dat ik me afvraag hoe het is om een hond te zijn in het leven van je ex, meestal luidt de conclusie: tamelijk aangenaam.

Graag zou ik hond Yasha eens willen ontmoeten, het zal er voorlopig wel niet van komen, hij vergeet bij onraad te blaffen.

Ik haal mijn oor van de buik.

,,Nog een dagje rusten'', zeg ik, ,,dan is het vruchtwater weer op niveau. In het meer van Tiberias zit soms ook te weinig water, maar onverwachts komt er flinke regenval en dat houdt de vissen in leven.''

Ik trek mij terug in de keuken achter mijn computer. Het is Valentijnsdag, maar aangezien M. rust moet houden haal ik bij de Koreaan om de hoek wat rijst met champignons. ,,Mijn buurvrouw is ziek'', zeg ik beschaamd tegen het Koreaanse meisje.

Dan nadert het afscheid. Ik moet naar Neurenberg en Sils-Maria, M. moet naar de indiaan.

,,Til je koffers niet zelf'', zeg ik. ,,Laat iemand je helpen. Een zwangere vrouw kan altijd op veel coulance rekenen. Betaal er desnoods voor, op elk vliegveld lopen wel een paar verdwaalde kruiers rond.''

Ze knikt, maar lijkt niet geheel overtuigd van die kruiers.

,,Praat af en toe tegen Baby Rat, ook de ongeboren vrucht heeft behoefte aan communicatie. Geef de groeten aan hond Yasha, zeg maar dat ik snel met hem kom spelen.''

Ik vlieg via Zürich naar Neurenberg, op een hotelkamer in Rimini sterft de wielrenner Pantani en ik droom van hond Yasha.

De rest is onvermijdelijke melancholie. Roem is verlies, roem is paracetamol voor hen die verloren hebben.

Bij het ontwaken bevind ik mij in Neurenberg in gezelschap van een meneer en een mevrouw – ze hebben een relatie – van het Literaturhaus aldaar, die mij het nooit ten einde gebouwde congrescentrum van Hitler laten zien. Ik ben te dun gekleed, de lente is niet tot Neurenberg doorgedrongen.

Na afloop van de lezing hef ik met enkele notabelen het glas op de wedergeboorte van de stad Neurenberg, maar na een paar slokken ontglip ik de notabelen en vervoeg mij in gezelschap van twee dames uit het oosten van Europa die mij bij het vragenuurtje een paar voor de hand liggende maar niettemin indringende vragen hebben gesteld over mijn werk.

Nu Aap uit mijn leven is verdwenen en M. met Baby Rat teruggekeerd is naar de vader van Baby Rat, moet ik mij richten op de toekomst, daarom heb ik in een drogisterij in Neurenberg een uur voor aanvang van de lezing een pakje condooms gekocht.

Men weet tegenwoordig de literaire lezing op waarde te schatten, elke geslaagde alinea kan beloond worden met een gretige kus van een verloren ziel die zich nog geen vijf minuten na de geslachtsdaad zal ontpoppen als manisch-depressief. Om over de werkelijk ernstige aandoeningen nog maar te zwijgen.

Van de mens is een starfucker overgebleven, daarom vraag ik aan de twee dames uit Oost-Europa: ,,Houden jullie van literatuur?''

,,We kwamen op je foto af'', zeggen ze in koor.

Ik denk aan de wielrenner Pantani die zijn flaporen met cosmetische chirurgie te lijf ging.

Omdat de notabelen van de stad Neurenberg willen dat mijn beloning voor het voorlezen beperkt blijft tot vijfhonderd euro in contanten, begeleiden ze me naar mijn hotel en lopen voor de zekerheid zelfs even mee tot aan mijn kamer.

Halverwege de nacht keren de demonen terug, ik zet de televisie aan, tot mijn buurman hard op de muur begint te kloppen.

Op het vliegveld van Zürich waar ik nog een uurtje heb voor ik via Chur verder zal reizen naar St. Moritz en Sils-Maria, maak ik gebruik van het draadloze internet en omdat ik het niet kan laten, die nieuwsgierigheid ook, toets ik op google de naam van Aap in. Men wil toch weten hoe het verder gaat, desnoods via google.

Google maakt mij alles duidelijk.

Verdwaasd stop ik mijn laptop weer in mijn tas, loop naar de treinen en bel mijn moeder.

,,Je hebt tegen me gelogen'', zeg ik. ,,Je zei dat die Aap jou had gebeld om de Gouden Uil terug te brengen, maar het is in werkelijkheid allemaal heel anders gegaan. Jij hebt haar gebeld en niet één keer, wel een paar keer. Vanwege een Gouden Uil die niet eens van jou is, je bent verdorven, weet je dat?''

,,Hoe kom je daarbij?'' vraagt mijn moeder. ,,Heb je weer contact met dat vreselijke mens?''

,,Ik heb helemaal geen contact met dat vreselijke mens. Ik las het op internet.''

Misschien komt het door de slapeloze nacht in Neurenberg, misschien door hond Yasha, of door Pantani, mijn woede laat zich niet meer bedwingen.

,,Als je nog één keer zoiets doet'', zeg ik, ,,als je je nog een keer bemoeit met zaken die je niets aangaan, dan kom ik bij je langs en sla je hersens in.''

,,Je bent een crimineel'', roept mijn moeder, ,,je bent altijd al een crimineel geweest. Vanaf je geboorte, onmenselijk ben je, hoe jij je ouders hebt behandeld. Jij kent geen grenzen.''

,,Dat heb ik lang geloofd'', zeg ik, ,,maar ik geloof het niet meer. Ik ben geen crimineel. Beschouw mij als een dode. Ik ben dood voor je. Ik heb lang genoeg in je kamp geleefd.''

Mensen om mij heen beginnen `sst' te roepen, ik blijk in een stiltecoupé te hebben plaatsgenomen. Stilte is heilig, dus verwijder ik mij met mijn koffer uit de stiltecoupé.

,,Hoe kun je zulke dingen zeggen?'' vraagt mijn moeder.,, Daar zul je spijt van krijgen, daar zul je vreselijke spijt van krijgen, jou zal geen lang leven beschoren zijn.''

,,Dat kan me niets schelen, dacht je dat ik me daar druk om maakte?''

Mijn moeder heeft opgehangen.

Als ik haar terugbel, blijkt ze in gesprek te zijn.

Ik weet wat ze aan het doen is, ik weet wie ze aan het bellen is, Aap. Ik ken haar langer dan vandaag.

Ik moet weer aan hond Yasha denken met wie ik zo graag zou willen spelen, omdat ik wil sterven als een hond.