`Geen sociaal Europa zonder groei'

Europa wil in 2010 de meest dynamische economie ter wereld hebben. Een onafhankelijke adviesgroep onder leiding van econoom André Sapir stelt voor om bijvoorbeeld minder geld aan landbouw uit te geven. Het Stabiliteitspact kan ook wat minder star.

`Er is geen alternatief voor onze Europese agenda voor economische groei,'' zegt de Belg André Sapir beslist. De Europese Unie moet haar geld dan ook radicaal anders gaan besteden.

Sapir (54), hoogleraar economie aan de Université Libre de Bruxelles, leidde een adviesgroep die op verzoek van Commissie-voorzitter Prodi met voorstellen moest komen om de groei in Europa zo te stimuleren dat zijn economie in 2010 de meest dynamische van de wereld wordt. Op de top die aanstaande donderdag in Brussel begint buigen de Europese regeringsleiders zich opnieuw over de achterblijvende economische groei in de EU.

Sapirs adviesgroep vindt dat er veel minder geld naar landbouw moet, dat nu bijna de helft van het EU-budget van ruim 100 miljard euro per jaar beslaat. De regionale steun – een derde van het budget – moet worden beperkt tot de relatief arme nieuwe lidstaten die op 1 mei toetreden. De huidige vijftien lidstaten zijn rijk genoeg om de eigen achtergebleven gebieden te helpen – een standpunt dat nettobetalers aan het EU-budget als Nederland en Duitsland wel delen. De EU-uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, innovatie, hoger onderwijs en infrastructuur moeten daarentegen fors omhoog. En de besluitvorming, waaronder de economische beleidscoördinatie, moet op de schop.

Dit alles staat in het geruchtmakende rapport dat Sapirs onafhankelijke adviesgroep afgelopen juli presenteerde, getiteld An agenda for a growing Europe. Op het concept stond nog wel het vignet van de Europese Commissie, maar in de eindversie waren de twaalf sterren van het kaft verdwenen. De Europese Commissie wilde elke schijn vermijden dat zij ook maar iets met de inhoud te maken had – het was allemaal te controversieel.

Als Europa zijn sociale model wil behouden, is zijn Europese groei-agenda het enige alternatief, zegt Sapir. ,,Dan heb ik het over het behoud van onderlinge solidariteit in tijden waarin de wereld snel verandert door vergrijzing, technologische ontwikkeling en globalisering. Overigens wil ik daar niet mee zeggen dat we het sociale systeem niet hoeven te veranderen.

,,Die groei-agenda is ook van wezenlijk belang door de uitbreiding van Europa met nieuwe lidstaten. We gaan naar een veel diversere Europese Unie, met lidstaten die serieus lage-inkomenslanden zijn. Destijds kwamen Spanje en Portugal erbij, maar nu is de inkomenskloof groter dan ooit. Als we de nieuwe lidstaten niet in staat stellen de andere in te halen, wordt de Europese Unie een heel onplezierige plek, met arme en rijke landen, een heel klein budget om over te strijden, en problemen met migratie.''

Hij noemt een derde reden om de agenda van de werkgroep in te voeren: de geloofwaardigheid van het proces van Europese integratie. ,,Hoe kunnen onze regeringsleiders in Lissabon en op andere toppen mooie verklaringen afleggen, terwijl we vervolgens de kloof tussen hun woorden en daden zien?''

De adviesgroep moest volgens Prodi inspiratie putten uit het rapport dat in 1986 – ook in opdracht van de Europese Commissie – werd gemaakt door de Italiaan Tomasso Padoa-Schioppa over de economische gevolgen van een Europese interne markt en een uitbreiding van de EU naar het zuiden. Het rapport van Padoa-Schioppa, tegenwoordig bestuurslid van de Europese Centrale Bank, legde volgens Sapir ,,de intellectuele basis'' voor het economische bouwwerk van de Europese Unie, dat op drie pijlers rust: interne markt, monetaire unie en regionale steun voor achtergebleven gebieden. Sapir hoopt dat zijn rapport uiteindelijk eenzelfde effect zal hebben. ,,De meeste reacties zijn positief'', zegt hij.

In de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog slaagde Europa erin de Verenigde Staten in te halen door accumulatie van kapitaal en door imitatie. Waarom begon de kloof daarna te groeien? ,,We waren niet in staat tot aanpassing'', zegt Sapir. ,,Na de oorlog maakten we een sociaal systeem dat groei, stabiliteit en cohesie leverde. Maar vanaf de jaren zeventig is de wereld binnen en buiten Europa veranderd.'' Door de globalisering hebben landen als China en India zich als concurrenten ontpopt. Maar ook binnen Europa speelt volgens Sapir de psychologische gesteldheid van de bevolking een belangrijke rol.

Neem de vergrijzing. In de VS is die door de toestroom van immigranten minder een probleem. De adviesgroep pleit voor green cards om veel meer gekwalificeerde migranten in de EU toe te laten. ,,Met de vergrijzing verandert ook de mentaliteit van de bevolking'', onderstreept hij. ,,Als je in de toekomst wilt investeren – in onderzoek en ontwikkeling, in onderwijs, en nieuwe technologieën – dan heb je mensen nodig die naar de toekomst kijken. In Nederland heb je ouderenpartijen die opkomen voor de belangen van gepensioneerden. In landen als Nederland en België heb je ook een hele hoge werkloosheid onder jonge migranten. Wat een verspilling is dat van menselijke hulpbronnen! Er zijn veel meer inspanningen nodig om hen productief te maken.

,,Europeanen oriënteren zich op stabiliteit. Die is belangrijk, maar er moet ook economische groei zijn. Het systeem moedigt mensen niet aan risico's te nemen. Voor mij is groei een mentaliteit.''

De EU kan volgens Sapir niet alleen met geld, maar ook met betere economische beleidscoördinatie bijdragen aan de economische groei. Het is nog te veel `wij' en `zij': `wij', dat zijn de Europese Commissie en andere Europese instellingen, `zij' de vijftien lidstaten. ,,Je hoort dan vaak dat de Europese instellingen hun job doen en de lidstaten niet. Ik accepteer die houding helemaal niet.''

De tegenstelling leidt er volgens Sapir toe dat lidstaten ,,zich geen `eigenaar' van Europese plannen voelen.'' Bestuurlijke vernieuwingen zijn dan ook hard nodig. De EU is nu eenmaal geen staat, ook al hebben twaalf lidstaten met de euro een gezamenlijke munt. De vaak genoemde tegenstelling tussen de communautaire methode (met als kern een sterke Europese Commissie) en de intergouvernementele methode (met lidstaten die de zaken onderling regelen buiten Brussel om) is volgens Sapir achterhaald. Op een aantal terreinen, zoals handelsbeleid, bestaat al een mengvorm. Sapir: ,,Als lidstaten iets van hun soevereiniteit opgeven, willen ze die niet helemaal opofferen aan de communautaire methode. Ze willen elementen van nationale betrokkenheid handhaven. Dat is normaal.''

De adviesgroep van Sapir stelt voor dat er in elke lidstaat voor het toezicht op de nationale overheidsbudgetten – in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact – een onafhankelijke Fiscal Auditing Board komt, waardoor het toezicht niet louter meer een Brusselse zaak is. ,,Bij de conflicten over het Stabiliteitspact met Frankrijk en Duitsland hebben we weer gezien dat lidstaten zich geen `eigenaar' voelen van de problemen.''

Bij de toepassing van het pact zelf moet volgens Sapir meer rekening worden gehouden met de verschillen tussen lidstaten. Zo moeten lidstaten met een lage staatsschuld en relatief beperkte pensioenlasten meer speelruimte krijgen voor kwaliteitsinvesteringen ten behoeve van economische groei. De adviesgroep wil de tekortnorm van 3 procent handhaven, maar eurolanden zouden deze limiet mogen overschrijden na een jaar van nulgroei. Dat zou bijvoorbeeld Nederland dit jaar speelruimte hebben geboden. ,,We bieden een mix van strengheid en flexibiliteit'', zegt Sapir. De Europese Commissie denkt in dezelfde richting.

De adviesgroep heeft kritiek op de zogenoemde `open coördinatiemethode', waarbij lidstaten elkaar de maat nemen en elkaar onder druk zetten om zelf tot betere prestaties te komen. Die stelt daarom nieuwe financiële prikkels voor om lidstaten aan te zetten tot meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D), hoger onderwijs en innovatie. Nu lidstaten als Duitsland en Frankrijk bezig zijn hun budget op orde te brengen, kan dit volgens Sapir ,,het ongelukkige gevolg hebben dat investeringen in kennis en productiviteit worden uitgesteld''. Vandaar het pleidooi voor financiële prikkels voor lidstaten die zich inspannen om bijvoorbeeld de Lissabon-doelstelling voor R&D – 3 procent van het bbp in 2010 – te realiseren.

Voor de realisatie van sommige doelstellingen zijn volgens Sapirs groei-agenda onafhankelijke Europese `agentschappen' nodig, waarin de huidige ontwerp-grondwet nog niet voorziet. Zo moet er naar voorbeeld van de Amerikaanse National Research Foundation een onafhankelijk European Agency for Science and Research (EASR) komen om de Europese miljardenfondsen voor fundamenteel onderzoek te verdelen. Nu spelen bij de verdeling van Europese onderzoeksgelden nationale en regionale belangen een te grote rol. ,,Of we gaan met z'n allen het geld op een efficiënte manier besteden of we zinken met z'n allen weg. Willen we een paar centers of excellence die per definitie niet in alle 25 lidstaten kunnen zijn gevestigd of willen we alleen centers of excellence in de Verenigde Staten? Dat is de keuze.''

Ook op het gebied van mededinging kan een onafhankelijk agentschap volgens Sapir tot verbetering leiden. Niet dat eurocommissaris Mario Monti (Mededinging) slecht werk levert. Volgens Sapir heeft hij belangrijke hervormingen doorgevoerd door de uitvoering van het mededingingsbeleid deels te delegeren naar nationale toezichthouders, waardoor lidstaten zich nauwer bij het beleid betrokken voelen. Maar volgens Sapir zal een onafhankelijk Europees antitrustagentschap tot helderder besluiten leiden. ,,Bedenk wel dat besluiten over kartelzaken door het hele college van eurocommissarissen wordt genomen. We willen geen systeem dat sterk afhankelijk is van één persoon.''

De adviesgroep van Sapir wil de Europese Commissie juist wel meer bevoegdheden geven om de interne markt beter te laten functioneren, omdat de lidstaten te vaak Europese regels aan hun laars lappen uit protectionisme. De adviesgroep oppert de mogelijkheid van financiële sancties.

Een nieuwe Europese groei-agenda staat of valt volgens Sapir met de beschikbaarheid van meer geld. Maar juist de voorgestelde radicale verschuivingen binnen het budget ontlokten de meeste kritiek. De politieke belangen zijn dan ook groot. Eurocommissaris Michel Barnier (Regionaal Beleid) kon tijdens een persconferentie kort na publicatie van het rapport zijn woede nauwelijks verbergen. Hij noemde het voorstel over de regionale steun ronduit ,,bizar''. Het voorstel om de EU-landbouwuitgaven van 45 miljard euro per jaar grotendeels naar de lidstaten door te schuiven, ligt al even gevoelig.

Sapir is niet onder de indruk van de kritiek dat hij met de voorgestelde renationalisatie van landbouwuitgaven de met zoveel moeite tot stand gebrachte Europese landbouwmarkt om zeep helpt. ,,Een steeds groter deel van het budget is directe inkomenssteun aan de boeren. De deskundigen zeggen dat die juist niet marktverstorend is. Waarom zou dat geld dan nog langer uit het Europese budget moeten komen?''