Geef me de simpele lucht van regen

`Het staat voor mij als een paal boven water dat het slavensysteem zal worden afgeschaft door de zonen van de slavenhouders, net zoals het de zonen van de kolonisten waren, en niet de indianen, die de onafhankelijkheid uitriepen,' schrijft Carlos Fradique Mendes in 1878 vanuit Brazilië aan zijn peettante in Parijs. Zijn vrouw, de voormalige slavin Ana Olímpia, denkt daar anders over: `Als blanken de zwarten hun vrijheid schenken, zullen we nooit echt vrij worden.' Tot zijn schrik spreekt ze zelfs over een oorlog tussen blank en zwart. `Hoe moet het dan tussen ons?' vraagt hij. Zij antwoordt plagerig: `Wij vechten en ik win!'

Veel van wat in de nasleep van de slaveneconomie werkelijkheid zou worden, zit al in die zinnen verborgen. Het waren inderdaad niet de slaven die zichzelf bevrijdden, maar Europese denkers, politici en zelfs zakenlieden die voor het eerst in de wereldgeschiedenis slavernij als iets mensonterends leerden zien. En de wettelijke afschaffing daarvan betekende in zekere zin pas het begin van het rassenprobleem. In de woorden van Ana Olímpia klinkt, bijna een eeuw avant la lettre, de stem van Black Power door.

De geciteerde brief is geen historische werkelijkheid. De tekst werd in 1997 geschreven door de uit Angola afkomstige romancier José Eduardo Agualusa, die deze presenteert als een deel van `de geheime correspondentie van Fradique Mendes'. Onder de titel Een steen onder water is ze nu in het Nederlands vertaald. Ze bevat vooral brieven aan Fradiques peettante, aan Ana Olímpia en aan zijn vriend Eça de Queiros, schrijver en Portugees consul in Engeland.

Die laatste brieven zijn opmerkelijk, want Fradique Mendes was ooit een creatie van Eça zelf, die hem de trekken gaf van een decadente dichter en met die mystificatie wat rumoer in de Portugese letteren wilde brengen. Agualusa heeft hem nieuw leven ingeblazen, maar wel als een heel andere figuur. Zijn Fradique is geen artistieke dandy meer, maar een bewogen wereldreiziger die in Angola gefascineerd raakt door de Afrikaanse culturen en zich sterk maakt voor het abolitionisme.

Volksverhalen

Hoe gecompliceerd en postmodern dat ook mag klinken, Agualusa heeft met Een steen onder water een moeiteloos lezende en perfect gecomponeerde brievenroman geschreven, waarin een van de pijnlijkste thema's uit de moderne geschiedenis met grote subtiliteit wordt ontrafeld. Voor Agualusa was de slavernij een voor de hand liggend onderwerp. Sinds zijn debuut in 1989 schreef hij tot nu toe een tiental romans, novellen en verhalenbundels die vrijwel alle draaien rond de getourmenteerde geschiedenis van zijn land, verteld met de voor de Afrikaanse volksverhalen kenmerkende mix van historie en wonderbaarlijkheid.

Sinds ruim een decennium woont Agualusa vanwege de politieke instabiliteit van zijn geboorteland beurtelings in Lissabon en Rio de Janeiro. Deze driehoek (Portugal, Brazilië en Angola) vormt ook de wereld van Een steen onder water, van verre beschenen door Parijs, dat voor de toenmalige Portugese wereld als hèt lichtpunt van beschaving, vrijheid en vooruitgang gold.

In die wereld beweegt Fradique zich als een scherp observator en criticus, met een vroegtijdige neiging tot cultuurrelativisme. `Tussen de sombere heer die de salons van mijn aardige peettante frequenteert en een kannibaal in het verre Amazonegebied bestaat geen noemenswaardig zedelijk verschil, hoogstens een gastronomisch', schrijft hij vanuit Parijs aan Ana Olímpia.

Waar het de slavenkwestie betreft, is hij rechtlijniger dan zijn geliefde en echtgenote. Natuurlijk, ook zij spant zich van harte in voor de afschaffing en viert met spreekbeurten op een Europese tournée zelfs triomfen. Maar Ana Olímpia kent de beide zijden van het bestaan – als slaaf en vrije. Als dochter van een gevangen Afrikaanse koning verliest ze haar zeggingsmacht, die ze herwint door haar huwelijk met haar eigenaar. Hij maakt haar als slavenhandelaar niet alleen rijk maar bezorgt haar ook een verfijnde Franse opvoeding. Als de ster van Luanda's beau monde beeldschoon, welbespraakt en erudiet als een vroege Ayaan Hirsi Ali – betovert zij de jonge Fradique. Kort daarop overlijdt haar echtgenoot en diens louche broer komt zijn rechten opeisen op haar bezittingen. En op haarzelf. Door een ongelukkige nalatigheid is ze nooit officieel vrij verklaard en wordt ze `verhuurd' aan een van de onbarmhartigste meesteressen van de kolonie, een landsdochter bovendien.

Dat de wreedheid van de slavernij geen mannelijk privilege was, weten we uit de koloniale kronieken, bekroond door de trieste reputatie van de Surinaamse plantagehoudster Susanna du Plessis. Opmerkelijker is dat Afrikaanse nederzettingen ook zwarte slavenhouders en zelfs handelaren kenden. `Veel loonslaven lukt het na twintig of vijfentwintig jaar hun vrijlatingsbrief te kopen,' vertelt Fradique. `Eenmaal vrij zeulen ze nog eens net zo lang dag en nacht met allerlei koopwaren tot ze eindelijk zelf een slaaf kunnen aanschaffen die voor hen werkt.'

Luanda

Ana Olímpia is de belichaming van die tweeslachtigheid. `Eerst slavin, vervolgens slavenhoudster en thans een van de gezaghebbendste stemmen in de strijd tegen de slavernij', schrijft Fradique over haar aan Eça. Dat is ruimschoots na haar bevrijding in Luanda, hun gezamenlijke vlucht naar Brazilië op wat officieel het laatste slavenschip zou moeten zijn – de Nação Crioula, ook de oorspronkelijke titel van Agualusa's boek en de vrijlating van de slaven op de suikerplantage die zij daar hebben gekocht.

Ook die laatste beslissing dankt Ana Olímpia, ironisch genoeg, aan haar Europese inburgering. Jaren eerder, zo schrijft ze na Fradiques dood in een afsluitende brief aan Eça, had haar man haar al eens gevraagd waarom ze in Luanda haar huisslaven niet vrijliet. `Ik legde hem uit dat ze samen met mij waren opgegroeid, onder hetzelfde dak, en dat ik me met hem verbonden voelde alsof ze familie waren,' zei ze terug. Dat antwoord bleef voor hem even onbegrijpelijk als het raadsel van de zwarte berusting, waarin de blanke bevolking met een sluimerende angst voor opstand nooit helemaal durfde te geloven. Maar, zo schrijft Ana Olímpia, `slaven in de stad weten in de regel niet wat het betekent geen slaaf te zijn.' Of, met een Creoolse zegswijze die de Nederlandse vertaling als titel meekreeg: `een steen onder water weet niet dat het regent'.

In krap honderdvijftig bladzijden heeft Agualusa met dit boek niet alleen een verfijnd beeld geschetst van de koloniale Portugese samenleving en van de ironieën van de slavernij en de strijd daartegen. Hij deed dat ook in een brievenroman waarvan de elegantie pas bij tweede lezing opvalt. Fradique en Ana Olímpia krijgen van Agualusa een briljante stijl vol vaart en trefzekere tournures mee, als waardige erfgenamen van de achttiende-eeuwse Franse epistolaire literatuur.

Navenant is hun hoofsheid. In haar lange slotbrief herinnert Ana Olímpia zich hoe Fradique haar, na een gesprek over de typisch Afrikaanse geuren vroeg wat haar voorkeur was. `Ik zei dat ik net als de bosjesmannen de simpele lucht van regen verkoos boven alle parfums', schrijft zij. `Drie maanden later ontving ik in Luanda een verzegeld flesje van kristal waarin water zat. Op het etiket had Fradique geschreven: ,,Eerste najaarsregen in Parijs, 20 oktober 1868.'''

José Eduardo Agualusa: Een steen onder water. Vertaling en nawoord van Harrie Lemmens. Meulenhoff, 158 blz. €17,50