Eerwraak

De strafbedreiging die het Wetboek van strafrecht voor moord bevat – twintig jaar of levenslang – is de hoogste die ons wetboek kent. Daardoor bestaat geen ruimte voor de invoering van strafverzwaringsgronden voor speciale vormen van moord, zoals eerwraak. Dat zei minister Donner (Justitie) november vorig jaar in antwoord op Kamervragen van de LPF. Toch houdt de roep om een speciale strafbepaling tegen eerwraak aan. Deze week was het de VVD die daarop aandrong. De directe aanleiding was een moord in de Zaanstreek op een Turkse vrouw door haar ex-echtgenoot, voor de deur van het Blijf van mijn lijf-huis waar zij toevlucht had genomen. Volgens de antropologe Van Eck die onderzoek naar dit verschijnsel deed, is eerwraak een uitzondering, maar wél diep geworteld in met name de Turkse gemeenschap. Ook die in Nederland. Er waren al enkele zaken geweest die lokaal de aandacht trokken, tot in december 1999 nationaal de aandacht op dit onaanvaardbare verschijnsel werd gevestigd door een schietpartij van een Turkse jongen in Veghel die was gestuurd door zijn vader.

Er zijn redenen om aan te nemen dat eerwraak in Nederland toch weer niet zo uitzonderlijk is, maar de aparte registratie waar de LPF ook om vroeg komt er niet. Deze heeft geen waarde voor opsporing of vervolging, aldus de minister. Moord is moord. Het wetboek hanteert ,,ronduit sobere delictsomschrijvingen'', zoals de Utrechtse strafrechtsgeleerde Kelk het heeft uitgedrukt: menselijke drijfveren van de misdaad als hebzucht, zinnelijkheid, wreedheid, angst en jaloezie zal men meestal tevergeefs zoeken in de wettelijke bepalingen. Zij spelen uiteraard een belangrijke rol, maar pas bij de rechter.

Op een bijzondere vorm van kindermoord na ruimt het wetboek van strafrecht geen plaats in voor het menselijk motief van levensdelicten. En in dat speciale geval is het strafmaximum voor de moeder juist lager dan bij gewone moord. Het vragen om een speciale wetsbepaling voor eerwraak, zoals de VVD deed, is in dit verband wonderlijk. Historisch gezien leidt crime passionnel juist tot strafvermindering. Niet alleen in Turkije, maar ook in Italië, waaraan de Turken hun strafwet hebben ontleend. Belangrijker dan sleutelen aan de strafwet is het om, zoals minister Donner zegt, een ,,actief beleid'' tegen eerwraak binnen de allochtone gemeenschappen te voeren. Hierbij moeten, net als bij meisjesbesnijdenis, geëngageerde moslims worden gemobiliseerd om duidelijk te helpen maken dat de traditionele praktijken niet worden voorgeschreven door de islam.

Hoewel hij weinig voelt voor registratie, laat Donner wel zien op welke wijze praktisch inzicht kan worden verkregen in de omvang van het fenomeen. Het was voor het VVD-Kamerlid Hirsi Ali geen beletsel in een kranteninterview te zeggen dat ,,Donner niet vooruit te branden is als het over eerwraak gaat''. Wat men van de bewindsman ook kan zeggen, niet dat hij laks is tegenover de misdaad. Hij heeft het huiselijk geweld ook duidelijk op zijn politieke agenda staan. Helemaal dol heeft Hirsi Ali het gemaakt door te vragen om een collectieve aansprakelijkheid van de familie bij eerwraak. Deze methode kan men wellicht nog aantreffen in de wilde grensgebieden van Pakistan, maar zij hoort in een rechtsstaat niet thuis.