Een waarlijk goddelijke hypocriet

Ter gelegenheid van Gerrit Komrij's zestigste verjaardag verschijnt het schrijversprentenboek `Het fabeldier dat Komrij heet'. In een voorpublicatie: Komrij als de gevreesde criticus.

`Het kost mij bijna helse moeite om een lovende recensie te schrijven'', zei Gerrit Komrij in een interview in het Cultureel Supplement van 3 mei 1974. ,,Dat komt door een ingeboren slecht karakter. En het doet de mens meer plezier om te zeggen dat iets niet deugt dan dat het wél deugt. Dat is toch heel menselijk, nietwaar?''

In de twee jaar die aan dit interview voorafgingen had Komrij zich gemanifesteerd als een messcherp polemicus, een kraker van reputaties. Een onmens. Bij zijn binnenkomst in de literatuur, in 1968, toen hij debuteerde met de bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten, had het schrijven van kritieken hem nog een doembeeld toegeschenen. In het allereerste interview dat Komrij ooit gaf, in 1968 aan Lidy van Marissing van de Volkskrant, zei hij: ,,Iemand heeft twee bundels geschreven, heeft genoeg van vertalen en mag kritieken schrijven voor de krant. Ik zie dat lot al boven het hoofd hangen, ware het niet dat ik voor mezelf al wat anders uitgestippeld heb. Ik ben overigens corrupt genoeg om volgend jaar vergeten te zijn wat ik dit jaar heb gezegd.''

Dat bleek. Toen Rinus Ferdinandusse, de hoofdredacteur van Vrij Nederland, Komrij vroeg om voor 75 gulden per stuk elke week een recensie te schrijven over een Nederlands boek, stemde hij meteen toe. In die tijd bestond de fine fleur van de literaire kritiek uit een paar keurige, doch ingetogen heren, zoals Kees Fens, K.L. Poll (,,de sokophouder van de Nederlandse literatuur'', volgens Komrij), Alfred Kossmann en Pierre H. Dubois. Komrij's stukken leken in niets op die van zijn collega's en brachten onmiddellijk leven, verbijstering en roekeloosheid in dat loodzware bedrijf. Sybren Polet noemde hij ,,een als kamperui vermomde lakei'' en diens werk ,,onverteerbare brokken die geen hond door de strot kan krijgen'' en Huub Oosterhuis werd afgeserveerd als ,,de copywriter van de firma Christus & Co''.

In de recensie van Satan ontmaskerd van Hans Plomp schreef Komrij: ,,De echte, goeie criticus (ik denk daarbij dus vooral aan mezelf) is een zure, slecht in het pak zittende tobber die door tijdgenoot en nageslacht gelijkelijk verguisd wordt. [...] De kritikus rolt zich als een goddelijk varken in afzichtelijk proza, en kwijlt bij iedere misgeboorte. Het grote miskent hij, en de zwakkelingen trapt hij terug in de vergetelheid. O zeker, hij gaat zelfs naar béd met slechte boeken!''

Hoewel op Komrij's pak niets viel aan te merken – hij schreed het liefst in een zijden kamerjas door zijn huis aan de Jacob van Lennepkade in Amsterdam, en vertoonde zich nimmer buiten zonder stropdas – wilde hij wel degelijk de literaire kritiek opnieuw uitvinden. De stukken zélf tot kunst verheffen, zonder zich daarbij om de moraal te veel te bekommeren. Hij nam nu eens het ene, dan weer het andere standpunt met verve in. ,,Ik trek een mening aan die bij mijn stemming past.''

Soms ging het nog verder. Zo schreef hij een recensie van Schaamte van Hugo Claus, waarin de lezer kon kiezen uit twee tegengestelde oordelen. Zijn oordeel over een boek van Heere Heeresma liet hij afhangen van het opgooien van een muntstuk, en de recensie van Een romance van Dirk Ayelt Kooiman bouwde hij, zonder dat erbij te vertellen, geheel op uit kreten uit uitgeversaanbiedingen: ,,Een romance van Dirk Ayelt Kooiman kan men met recht een modern document humain noemen, een knap boekje met unieke belevenissen, een geschenkboek ook van allure, een roman die velen zal verbijsteren, en wij kunnen dan ook niet anders dan besluiten met te zeggen dat wij wederom reikhalzend uitzien naar een nieuw werk van deze briljante auteur.'' Deze `bespreking' was zowel goed als slecht tegelijk, en deed Komrij, in de inleiding van Daar is het gat van de deur, de bundeling van zijn vroegste recensies, verzuchten: ,,Ik was een waarlijk goddelijke hypocriet.''

Nadat de recensie van Kooimans Een romance in Vrij Nederland was verschenen werd Komrij nog dezelfde avond, 's nachts om één uur, gebeld door iemand die zich, heel geestig, `Jacob van Lennep' noemde, en de criticus vroeg hoe hij het nu bedoeld had, ,,dat stukje over Kooiman''. Vervolgens meldden zich aan de telefoon een heel groepje aangeschoten vrienden van Kooiman, onder wie Thomas Graftdijk, die zei: ,,Hé jongen, doe nou niet zo lullig.'' Komrij dacht op de achtergrond het gegiechel van Kooiman zelf te horen, en belde de schrijver van Een romance de volgende morgen op. Kooiman had er niets mee te maken. Zei hij.

De schrijvers die Komrij besprak reageerden gemiddeld ,,kruiperig, vriendelijk en boterzacht'' op zijn stukken. ,,Ik ben iemand die machteloos met zijn rapier in de lucht staat te zwaaien, terwijl de aangevallene intussen als een hondje zijn voeten likt'', schreef hij in 1978. Toch schoot een enkeling wel eens uit zijn slof. De schrijver Arie B. Hiddema schreef Komrij een briefje nadat zijn jongste werk door hem was geknipt en geschoren: ,,In Rusland word je als schrijver in kampen gestopt. In Nederland is het veel erger, daar word je besproken door een tweedehands droplul als Gerrit Komrij.''

Met die zin was Komrij, zoals te verwachten, zéér verguld. In de besprekingen van zijn eigen werk werd hij inmiddels steevast geïntroduceerd met de woorden `de gevreesde criticus'. Was hij als debuterend dichter uittentreure vergeleken met Piet Paaltjens, nu werd hij telkenmale bestempeld als een tweede Lodewijk van Deyssel. ,,Toch een sprong van vijftig jaar vooruit'', heeft hij daar eens over gezegd.

In wezen ging, net als die met Paaltjens, de vergelijking niet op. Komrij's stijl was een hele andere dan die van Van Deyssel, en diens kritieken waren ook niet de inspiratie geweest om het eens lekker op een schelden te zetten. Als jongen was Komrij al gefascineerd geweest door beledigingen en noteerde hij hele reeksen scheldwoorden in zijn schriftjes. De stevige polemische inzet en de vileine humor waren vooral ook een teken dat hij zijn taak als criticus en de literatuur werkelijk serieus nam.

Betrekkelijk snel nadat hij was begonnen, stopte Komrij ook weer met het schrijven van literaire recensies. In de jaren zeventig leerde hij via het tijdschrift Maatstaf, waarvan hij redacteur was, veel schrijvers kennen. ,,Het remt je als je tegen die mensen tekeer wilt gaan'', vertelde Komrij aan Bibeb. ,,Ik deug wel niet, maar ik ben geen machine in ondeugd. Ik vermijd zoveel mogelijk plaatsen waar ik de kans loop literatoren aan te treffen. Maar er zijn er natuurlijk altijd die hun konterfeitsel aan je kond willen doen. Kond met een d natuurlijk. Ik heb een haast lijfelijke afschuw van de manier waarop ze naar me toe kruipen.''

Op een zondag in 1975, Komrij en zijn beeldschone levensgezel, Charles Hofman, lagen nog in bed, schalde door het pand de bel. Komrij schoot zijn kamerjas aan en liep naar het raam. Hofman liep naar beneden en vertelde de onbekende jongeman voor de deur dat zij nog in bed lagen. Het bleek Jan Siebelink te zijn geweest, de Huysmans-vertaler en de jonge schrijver van Nachtschade, het debuut dat Komrij zojuist ter recensie voor Vrij Nederland had ontvangen. Siebelink had Komrij een fles wijn willen aanbieden. Van boven zag Komrij hem achteruit schuifelen en zich omdraaien. Komrij kon nog net de fles zien die Siebelink achter zijn rug weer meenam.

Op het kerstfeest in 1975 van NRC Handelsblad vertelde Komrij aan André Spoor, de hoofdredacteur van de krant, dat hij graag eens over televisie zou schrijven. Hij keek graag televisie, kende niemand in die wereld en het leek hem spannend om ,,als een Marsmannetje'' voor de buis te gaan zitten en een jaar lang dagelijks verslag te doen van zijn bevindingen. Spoor zei direct: ,,Dat doen we.''

Enkele weken later arriveerde een grote Philips kleurentelevisie op de Jacob van Lennepkade, ,,in bruikleen'' ter beschikking gesteld door NRC Handelsblad, en op 19 januari 1976 werd Komrij's eerste stuk gepubliceerd. ,,Ik heb nu voor het eerst als gehonoreerd geweten van u, lezer, naar de jammerkast of de mechanische treurbuis die televisie heet gekeken, en ik moet u zeggen, het beviel me best. Het was ook een stichtelijke avond. Het was, verdomd als het niet waar is, net of je in de kerk zat.''

Komrij's televisiekritieken waren, zoals te verwachten viel, niet zachtzinnig. Hij liet niet na om de zinledigheid, de saaiheid – ,,de Gooise slaappil'' – en de woord- en beeldvervuiling op de televisie genadeloos aan de kaak te stellen. ,,Hoe kan een land zo verkommerd en aan de rand van de afgrond raken, vraag ik me af, dat het dit al jaren en jaren verdraagt en bij zich over de vloer toelaat, zonder ooit wijkcomités op te richten ter verwijdering van dergelijk omroeponkruid en dergelijk beeldbuisschuim? Ik doel hier natuurlijk op Albert Mol en Hans van Willigenburg.''

Niet alleen Mol (,,de malloot met de constante giechel'') en Van Willigenburg (,,met dat aangebrande hoofd, dat altijd nét uit een Tefal tosti-knijper afkomstig lijkt'') moesten eraan geloven, maar alle zogenaamde idolen die op de `treurbuis' verschenen, kwamen aan de beurt. Tijdens het kijken naar de televisie legde Komrij op kleine briefjes een `Vergeetregister' aan van de sterren. Hoewel de hilarisch-venijnige karakteriseringen op die briefjes de carrières van de dames en heren niet in de knop hebben gebroken – vergeten zijn de meeste televisiesterren, bijna dertig jaar na dato, allerminst – daverde Hilversum op zijn grondvesten.

Maar dat niet alleen. Nog nooit had de deftige, liberale krant zoveel woedende reacties gehad op één rubriek. Ter redactie regende het scheldbrieven. Wat waren ze kwaad, de artsen, professoren en ingenieurs uit Wassenaar, Bloemendaal en Haren. ,,Hooggeachte Heer, dit is het misselijkste stukje dat ik ooit in uw krant aantrof'', schreef een lezer. ,,Deze Gerrit Komrij is rijp voor de psychiater. U kunt deze man niet handhaven om uw krant te bevuilen.''

Kwetsen, vond Komrij, is nodig om het leven te veraangenamen. ,,Je kunt toch nauwelijks een leven geslaagd noemen, wanneer van het begin tot het eind zoete broodjes worden gebakken en men elkaar met lauwe thee overgiet?'' Wim Klinkenberg, de communistische vice-voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten, had in een interview gezegd Komrij's `journalistiek misdrijf' als ,,een soort zelfbevuiling'' te beschouwen. Klinkenberg beloofde dat op de dag dat er een ,,andere samenleving'' was verrezen, dat er dan ,,interessante correcties'' zouden worden aangebracht.

Komrij antwoordde minzaam: ,,Ik op mijn beurt beloof u plechtig, meneer Klinkenberg, dat ik u, wanneer de door u gewenste revolutie uitbreekt, terstond telegrafisch op de hoogte zal stellen van mijn verblijfplaats, zodat u me, met twee gehelmde en gelaarsde KGB-ers aan uw zijde, nog in mijn voorportaaltje kunt neerknallen. Mijn naakte borst zal ik u en uw gehelmde heren tonen, en er zal meer bloed en leven vloeien dan u in uw zeemleerachtig brein ooit voor mogelijk had gehouden.''

1976 was een tropenjaar voor Komrij. Hij kwam nauwelijks zijn huis uit, keek dagenlang naar de televisie, en moest elke avond om half elf zijn stuk doorbellen aan de stenotypiste van de krant. Op 31 december was hij blij dat hij er weer mee kon stoppen. ,,Lezer, ik schei ermee uit. Ik had me voorgenomen een jaar over de televisie te schrijven, en u moet toegeven, we zijn niet kinderachtig geweest.''

Zijn stukken, die later werden gebundeld onder de titel Horen, zien en zwijgen, hadden een storm van protest aangericht. Een aantal lezers van NRC Handelsblad had wegens Komrij's televisiekritieken zelfs het abonnement op de krant opgezegd. Hoofdredacteur André Spoor gaf gedurende het hele jaar geen krimp. In het Maatstaf-nummer van december 1984 dat geheel aan Komrij was gewijd, bekende Spoor dat hij `zijn' criticus juist ,,oneindig dankbaar'' was geweest: ,,Gerrit Komrij schreef een televisiekritiek, die erop uit leek te zijn `to end all television criticism'. Vaak leek het er zelfs op dat zijn oogmerk was `to end all television'.''

Zover is het niet gekomen, al was Komrij het kijken zelf volkomen zat. Tegen Spoor had hij resoluut gezegd: ,,Op 31 december zet ik het ding uit en ik weet niet of ik het ooit weer aan zal zetten.'' Het kijken werd hem een maand later sowieso onmogelijk gemaakt omdat een `medewerker van de concerndirectie' van de krant er in een strenge brief `ten overvloede' op wees dat de gevreesde criticus ,,bij beëindiging van het verrichten van journalistieke diensten voor NRC Handelsblad B.V. de kleurentelevisie zo spoedig mogelijk, in goede staat'', terug moest zenden.

Naast televisiemakers en schrijvers zouden in de jaren zeventig ook nog de gelovigen van de Scientology-kerk, de beeldende kunst-critici en de Nederlandse architecten (,,het sinistere tweetal Goedkoop & Efficiënt en de firma Piekfijn & Klokgaaf'') zich in Komrij's warme belangstelling mogen koesteren. Komrij typeerde zichzelf in die tijd als `de Florence Nightingale van de Nederlandse literatuur', en verklaarde zijn schrijverschap uit pure liefde voor de goede zaak.

Scherts, natuurlijk, maar met een bloedserieuze ondertoon, en een flinke scheut verontwaardiging. De dingen waarover hij had geschreven, de milieus die hij met liefde had opgeschud, waren, toen Komrij zich weer van die onderwerpen afkeerde, rustig op dezelfde voet verdergegaan. Geen slechte schrijver legde de pen neer. De architecten bouwden nog net zo lelijk als tevoren en de televisie was nog even hol en ongenietbaar als altijd.

Typerend waren de reacties op Komrij's eerste en laatste televisie-talkshow bij de VPRO op 6 mei 1979, waarin hij figureerde als Mies Bouwman en allerlei zogenaamde sterren ontving die zijn eigen parodistische teksten uitspraken. ,,Goedenavond, beste kijkers'', opende Komrij de uitzending met zijn kenmerkende, lijzige stemgeluid. ,,Ik stel me maar meteen voor. Mijn naam is Mies Bouwman. Ik had beloofd nooit meer op tv te verschijnen, maar na een knappe chirurgische ingreep, die van mij een heel ander mens heeft gemaakt, kan het wel weer, dacht ik.''

De televisiecritici van dat moment bespraken de uitzending op hun beurt negatief. Komrij vond die reacties ontstellend. Niet zozeer wegens het zure toontje, maar vooral omdat niemand inging op wat hij had gezegd. ,,Over de Inhoud: niets. Meneer, uw neus glom. Maar ik heb toch ook gezegd dat de televisie niet deugde? Nee meneer, ik hoopte dat u van het afstapje zou donderen.'' Komrij verklaarde nooit meer op de treurbuis te verschijnen en er nooit meer over het medium te schrijven. ,,Ik moet het m'n vijanden niet te gemakkelijk gaan maken door voor 'n lachspiegel te gaan staan.''

Op de grens van de jaren zeventig en tachtig zag Komrij zich steeds vaker samen met zijn vijanden gevangen in een spiegelpaleis. Komrij verlangde naar verandering, naar vrijheid. Hij kreeg het benauwd van Amsterdam, waar hij op elke straathoek een schrijver tegenkwam. Hij kreeg het benauwd van Nederland. Op de vraag van een journalist van Het Vrije Volk wat zijn liefste wens zou zijn, antwoordde hij: ,,Dat dit land geheel onder de waterspiegel verdwijnt, dat de dijken doorbreken. Maar natuurlijk pas dan, als ik verhuisd zal zijn. Op een goede dag verkoop ik alles en zien ze me nooit weerom. Dan ga ik voor de eeuwigheid schrijven.''

Op 12 oktober 1984 reden vier grote verhuiswagens van de Koninklijke De Gruijter de Jacob van Lennepkade op om Komrij en Hofman, hun inboedel en de immense bibliotheek in te laden en voorgoed de grens over te brengen.

`Het fabeldier dat Komrij heet' is uitgegeven door de Bezige Bij en verschijnt op 26 maart bij de opening van de gelijknamige tentoonstelling in het Letterkundig Museum in Den Haag. Prijs €29,50.