De witte anatoom is altijd te laat

Gedichten van Rogi Wieg hebben bij mij altijd een gespleten gevoel opgeroepen. Er was verbazing over de zeggingskracht van zijn schijnbaar simpele taalbouwsels, maar ik werd ook kregel van de monomane belevingswereld die hij verbeeldde. Van gretige consumptie was dus nooit sprake, maar toch zette ik in elk van zijn bundels potloodkruisjes bij de verzen die me aanspraken. Bij nader inzien blijken die kruisjes steeds weer te verwijzen naar gedichten die naast beeldende precisie ook aforistische uitspraken bieden.

In Wiegs nieuwe bundel, De Ander, zijn het opnieuw die elementen die tot herlezen noden. Soms is het meteen al raak, zoals in `De oude zonnebloem'. `Ik heb lang genoeg geleefd / om nog niet lang genoeg geleefd / te hebben', luiden de eerste regels. Jules Deelder had het kunnen schrijven, maar Rogi Wieg gaat verder. Bij hem zijn die laconieke beginregels aanzet tot een huiskamermetafoor van de tweede helft van een mensenleven en met wie dat gedeeld mag worden:

...nu volgen de rustige schaduw

en de nabijheid van het glazen tafelblad.

Door het glas kijk ik naar de grond, zie:

de hemelen zijn werkelijk voorbij.

Dat wil ik nog doorstaan met jou,

maar alleen met jou, Judith.

Bij zoveel simpele trefzekerheid geldt wat Wieg elders in de bundel in `Liefgehad' schrijft: `Grote kunst gaat door / het oog van de naald, een enkele / blauwe draad van zee en hemel / wordt daarna uitvergroot, liefgehad,'

De Ander is niet alleen het werk van een dichter. Wieg presenteert zich in acht kleurrijke reproducties ook als kunstschilder. De kwaliteit van zijn ouderwets expressionistische schilderijen vind ik wisselend, maar in de inleiding van de bundel doet hij opmerkelijke uitspraken over de mogelijkheden van beide kunstvormen. `Over het maken' heet die inleiding. De dichter-schilder voert zichzelf in de derde persoon ten tonele. `Rogi Wieg,' betoogt hij, `kan zijn hang naar mystiek en religie en zijn zeer heftige gevoelens over leven en dood beter kwijt in beelden dan in woorden. Taal dwingt de dichter of schrijver rationeler en exacter te zijn. Bij het uiten van grote emoties op papier loopt een schrijver het gevaar sentimenteel of pathetisch te worden, terwijl bij het werken met verf of ander materiaal dit risico geen rol lijkt te spelen, vindt Wieg. Dit maakt het schilderen voor hem aantrekkelijk; hij kan zichzelf met verf dingen toestaan die hij in taal overdreven zou vinden.'

Niettemin wordt de poëzie in De Ander door emoties bevolkt. Er zijn psychisch loodzware gedichten over de ouders, in-en-in-verdrietige verzen over het dochtertje dat Wieg van de rechter niet meer zien mag, maar ook gestileerde ontroering, zoals in `Judith':

Judith rookt en ik lees kwantumfysica;

we zijn ontwaakt, de zon staat hoog,

het heelal is aan het werk.

Er zijn haar vlees en haar woorden,

haar denken en haar lingerie.

Ik schreef nooit liefdespoëzie,

en ook nu hapert mijn pen.

Bezingen doe je door boodschappen

te doen, afwassen, redeneren over het

beste plan voor de toekomst.

Maar toch, beschouw dit als

een liefdesgedicht voor Judith,

met rozen, een nieuwe, wilde jurk,

een open haardvuur en een goede

fles champagne. Meer wil ik

niet zeggen over ons.

Zij rookt en ik ben stomverbaasd

over haar ruimtelijkheid.

Dit is een rationeel en, door de kwantumfysica en de ruimtelijkheid van heelal en geliefde, ook exact gedicht. Maar het is zeker ook poëzie op z'n best. Voor Wieg is het verbond tussen kunst en fysica een natuurlijk amalgaam. Acht jaar geleden al maakte hij in zijn proza glashelder waarom. In Souffleurs van de duivel (1996) zegt de hoofdpersoon over exacte wetenschappen: `Ik geloof dat in deze vakken veel boeiender dingen gebeuren dan bijvoorbeeld in de kunst. In de exacte vakken worden zaken verklaard en over deze verklaringen kan ik me verbazen. Verbazing en kunst zijn het beste antwoord op verveling. En verbazing en kennis geven je troost als je alleen bent.'

Dat de `ik' alleen is, ondanks `de ander' is een belangrijk thema in Wiegs nieuwe bundel, en veel van zijn verzen zijn troosteloos. Maar juist in het troosteloze zet hij de taal naar zijn hand. Pagina 30 en 31 zijn wat dit betreft modelpagina's. `Ik wil maar zeggen' heet het gedicht op de linkerpagina, op de rechterpagina staat `Bij de begrafenis van een onbekende'. Het eerste gedicht is hard, het tweede realistisch berustend. De dichter beheerst beide registers. `Je hebt 1 leven,' stelt hij links, `en 1 hand om een schot mee / te lossen, 1 moeder, 1 vader, / je hebt 1 sprong van tienhoog / en 1 tong die dan door je achterhoofd / naar buiten klapt. Ik wil maar zeggen: / je hebt 1 kans en verder alleen / jezelf'

Het andere gedicht (dat Wieg werkelijk voorlas bij de begrafenis van een onbekende vrouw) begint met een bespiegeling over het sterven, stelt dan vragen aan de overledene, schetst de onwezenlijkheid van de declamatie bij het graf, en eindigt dan in drie superieure regels:

De aarde haalt de doden uit elkaar, de aarde doet wat haar werd

opgedragen door een God of door de leegte,

je weet wel hoe het gaat.

De witte anatoom, hij weet het meeste,

maar is altijd veel te laat.

De Ander is een veelzijdige bundel. `De bajesgedichten' die hem afsluiten bekoren mij minder, maar daartegenover staan bijna twintig verzen die bij herhaalde lezing prismatisch blijken in hun verschuivende beeldtaal. Wieg schrijft poëzie die het humeur raakt. Dat kan kregel maken, maar wekt ook blijvende verwondering.

Rogi Wieg: De Ander. Gedichten en schilderijen. De Arbeiderspers, 64 blz. €19,95