De sociologie van het verhuizen

Een van de problemen met het huidige debat over de integratie van nieuwkomers is dat het zo vaak wordt gevoerd in het verkeerde register. Neem de recente heisa over de voorstellen van minister Verdonk om het begrip inburgering serieuzer te nemen en inburgeringscursussen (voor nieuwkomers maar ook voor niet-geïntegreerde oudkomers) voortaan verplicht te stellen en die met een examen te gaan afsluiten. Daarover heb ik de afgelopen weken menige column gelezen en de reacties op de plannen van Verdonk lijken unaniem afwijzend: zijn de Nederlandse mores (alcohol, porno, stupide SBS-programma's, vader Abraham, Frans Bauer, stiptheid, ongastvrijheid, botheid) soms beter dan de mores die nieuwkomers van huis uit hebben meegekregen? Wij dachten van niet! Heeft de overheid wel het recht zich te bemoeien met voorkeuren van burgers inzake broodbeleg, kleding of hoofddeksels? Wij dachten van niet! Heeft de politiek het recht om allochtone Nederlanders een examen staatsinrichting of parlementaire geschiedenis af te nemen? Wij dachten van niet! Menige autochtone Nederlander zou immers zakken als een baksteen voor een dergelijk examen! Men vermoedt achter de plannen van de minister een kwalijke neiging tot cultureel imperialisme en men constateert dat een dergelijke zendingsdwang in een liberale democratie volstrekt ongepast is of ,,juridisch niet te verdedigen''. Grote woorden op hoge toon.

Laten we de kwestie eens met wat meer afstand bekijken.

Stel voor: een goede vriendin van u gaat verhuizen. Na jaren wonen in de binnenstad heeft zij een huis gekocht in een Vinex-wijk. De komende maanden zult u met de vriendin veel spreken over het

leven in een nieuwbouwbuurt. Zij zal u uitleggen dat zij nu andersoortige contacten met haar buren heeft dan in de binnenstad. Veel gedeeld leed (aannemers, loodgieters, timmermannen en keukenzetters die niet doen wat zij zouden doen, lekkende daken, niet-geleverde douchecabines), gezamenlijk verkennen van de faciliteiten van de wijk (scholen, openbaar vervoer, winkels, dokters), voorzichtige pogingen om een buurtleven van de grond te tillen.

Zou de vriendin in kwestie niet verhuizen naar een Vinex-wijk, maar naar een provincie aan de andere kant van het land, dan zou haar inburgeringstraject ingewikkelder verlopen. Zij zou u deelgenoot maken van de zielenroerselen en de eigenaardigheden van haar nieuwe streekgenoten en u vertellen over haar pogingen om hen te doorgronden in plaatselijke verenigingen (,,Ik ben nu lid van het Leeuwarder zangkoor, ik doe mee aan de wereldwinkel, ik redigeer het clubblad, maar ze blijven me zien als een wufte importmevrouw uit het westen!'').

Als de vriendin zou verhuizen naar een ander land, zou het nog lastiger worden. Zelfs als ze zou gaan wonen in een land waarvan ze de taal behoorlijk sprak, zeg in Groot-Brittannië, dan nog zou het inburgeren een vermoeiend proces zijn (,,Aan het eind van een gezellige avond ben ik doodop, omdat ik hun verwijzingen naar reclames van vroeger niet snap en hun grapjes niet begrijp, en omdat het mij de grootste moeite kost om al die ministers in hun kabinet uit elkaar te houden.'')

Verhuizen lijkt automatisch gepaard te gaan met inburgeren: in een nieuwe straat, in een nieuwe streek, in een nieuw land. Merk op dat u met uw vriendin vermoedelijk niet zou spreken over de vraag of de Vinex-cultuur of het Friese plattelandsleven inherent superieur zijn aan de cultuur van een Randstedelijke binnenstad. Merk op dat u het ook niet zou hebben over de vraag of de Britten wel het recht hebben uw vriendin te socialiseren in hun humor of haar te dwingen tot het kijken naar de Britse tv. De sociologie van het verhuizen dwingt uw vriendin tot inburgering, met cultuurfilosofie of constitutioneel recht heeft dat niets te maken.

De enige alledaagse verhuisvorm waarbij de inburgeringslogica niet automatisch optreedt, is het zogeheten expat-verhuizen: uw vriendin vertrekt tijdelijk naar Saoedi-Arabië, Nigeria of Oman, omdat zij of haar man daar olie uit de grond gaan halen. In die gevallen is inburgering nadrukkelijk niet de bedoeling en zal de vriendin zich oriënteren op de compound van de multinational, met op vaderlandse leest geschoeide of kosmopolitisch opgezette scholen en voorzieningen.

Het probleem met onze nieuwkomers is dat de normale inburgeringslogica bij hen niet voldoende optreedt. Hun verblijf in een zwarte wijk, met zwarte scholen, schotelantennes, met partners en buren uit hun land van herkomst leidt tot een bestaan dat enigszins overeenkomt met het expat-verblijf in den vreemde, terwijl het niettemin de bedoeling is dat met name de kinderen van de nieuwkomers hier een toekomst opbouwen.

Veel van het huidige integratiebeleid kan volgens mij beter worden beschouwd als een poging om te compenseren voor het haperen van de sociologie van het verhuizen dan als cultureel imperialisme of een misplaatst beschavingsoffensief. Ik wil niet suggereren dat daarmee meteen alles wat het kabinet-Balkenende verzint ook normatief-juridisch door de beugel kan, maar het lijkt me heel goed om de plannen zo nu en dan ook vanuit verhuis-sociologisch perspectief te bezien.