De pratende sfinx Amerika

`Fun is niet het eerste waar we bij het Amerika van Bush aan denken', schrijft emeritus hoogleraar Amerikaanse geschiedenis Alfons Lammers in zijn boeiende nieuwe boek De Halleluja Republiek. Vóór 11 september beschikte Bush volgens Lammers nog over enige zelfrelativering, daarna beet de 43ste president van de VS zich vast in het eigen gelijk. Hij nam, schrijft Lammers, `zijn rol als Heiland op het wereldtoneel' te serieus.

Gerald Ford, de president na Nixon en voor Carter, was uit heel ander hout gesneden. Ford was volgens Lammers het vleesgeworden middle America: gematigd, trouw, saai. Toch wilde Lammers over deze Ford een boek schrijven. Als president toonde hij zich de verzoener die Amerika na Watergate nodig had. En, minstens zo belangrijk, onder zijn bewind transformeerden de Republikeinen van de gematigde partij van Eisenhower en Nixon (en Ford zelf) tot de ideologische van Ronald Reagan en van de tweede Bush.

Donald Rumsfeld en Dick Cheney waren midden jaren zeventig jonge talenten die onder Ford van zich deden spreken. Rumsfeld toonde zich als minister van Defensie meer dan opgewassen tegen Henry Kissinger, destijds de ongekroonde koning van de buitenlandse politiek. Niet voor niets noemt Kissinger Rumsfeld in het derde deel van zijn memoires (Years of Renewal, 1999) een `bijzonder fenomeen' dat alleen in Washington voorkomt: `de bekwame fulltime politicus-bureaucraat die ambitie, talent en inhoud moeiteloos in zich verenigt.' In de buitenlandse politiek rekenden deze nieuwe Republikeinen af met de verfoeide toenadering tot de Sovjet-Unie en China. In de binnenlandse politiek keerden zij zich tegen de linkse tegencultuur.

Een belangrijk tijdperk dus, de era-Ford, hoe kort het ook heeft geduurd. Maar een biografie over Jerry zat er volgens Lammers bij nader inzien niet in. Onverkoopbaar, oordeelde zijn uitgever. Een golfende president houdt de aandacht van de lezer niet gevangen, ook al heeft hij een aan drank en pillen verslaafde eega. De Halleluja Republiek werd dus meer dan een biografie. Lammers schrijft niet alleen over Ford en Bush, maar ook over de schrijvers Sinclair Lewis en Ralph Waldo Emerson, de komiek Bob Hope en de zanger Johnny Cash. Zij worden zowel opgevoerd om de karakters van Ford en Bush te verklaren, als om de even mysterieuze als ongrijpbare ziel van `de sfinx' Amerika bloot te leggen. Dit doel mag dan per definitie niet te verwezenlijken zijn, Lammers komt een heel eind. Hope verpersoonlijkte de ondraaglijke leegte van het Amerika van Ford; Cash, die door Lammers in een prachtig slothoofdstuk wordt uitgeluid, staat symbool voor de Verenigde Staten van het geweld en de bijbelse visioenen. Cash was, schrijft Lammers droog, geen golfer. Dat `zelfs anti-Amerikanisten' in Nederland zich `in horden aan hem gewonnen geven' doet hij licht misprijzend af. Niet voor niets vermeldt Lammers dat Cash niet alleen zong, maar ook het leven van Jezus heeft verfilmd. Cash voelde zich thuis in het Amerika van George Bush en Mel Gibson, wiens film The Passion of the Christ een klaroenstoot is in de strijd tegen een seculier Amerika.

Alfons Lammers: De Halleluja Republiek. Van Ford tot Bush. Balans, 220 blz. €16,95