Altijd is daar de troost van zingende krekels

De hellenistische dichter Theokritos geldt als de uitvinder van de pastorale. Hij verruilde de heroïek van de homerische helden voor het intieme tafereel uit het dagelijks leven. Voor het eerst is al het aan hem toegeschreven werk in het Nederlands vertaald.

Er bestaan drie soorten classici. Het eerste type geniet graag met een glas retsina in de hand van de sirtaki, draagt sandalen met witte sokken, kampeert in Griekenland en maakt gemene zaak met het lokale herdersvolk. Deze classici hebben het over Theokritos (transscriptie uit het Grieks), en wel omdat ze de Grieken zien als nazaten van die vrolijke onconventionele natuurmensen uit de Oudheid, die ze bij voorkeur direct benaderen, en niet door de bril van de traditie, die hen te dik geworden is.

Een tweede type bewoont een statig grachtenpand, bezit een enorme bibliotheek, tracht zich aristocratisch te kleden, en spreekt over Theocritus (transscriptie uit het Latijn). Hij doet dat omdat hij de traditie die bij de Grieken begon, maar zich in de loop van ruim twee millennia over de aardbol heeft verspreid, juist als een veilige haven ziet, een hermetisch gesloten toren van geleerdheid die hem beschermt en rechtvaardigt. En dan is er de derde, zonder twijfel grootste categorie, die tussen de uitersten in hangt, en afwisselend de Griekse of de Latijnse spellingsvariant hanteert.

Deze indeling is van belang bij het beoordelen van Theocritus. Enerzijds schildert hij ons onverbloemd concreet een aantal scènes uit het leven van antieke boeren, buitenlui en kleine stedelijke zelfstandigen, en brengt het leven uit de Oudheid haast tot de rand van de leesfauteuil. Anderzijds is hij extreem literair, allusief en dus onwerkelijk. Niet alleen omdat hij bewust en subtiel voortdurend verwijst naar literaire voorgangers en complexe, dubbelzinnige vormen hanteert. Vooral omdat Theocritus' Idyllen haast niet zijn te lezen zonder associaties met de enorme hoeveelheid poëzie en beeldende kunst die er direct of indirect door zijn veroorzaakt. Zonder Theokritos hadden we Vergilius' Bucolica niet gehad. Van Vergilius ging het naar Dante en Petrarca, die het zonder het Grieks moesten doen. Daarna werd Theocritus vormend voor dichters als Tasso, Milton, Goethe en T.S. Eliot, die wel weer gewapend waren met de oorspronkelijke tekst, en ook de beeldende kunst werd door het door hem begonnen genre diep beïnvloed.

Die grote weerklank in de Europese traditie beperkt soms het zicht op het origineel, omdat frasen en wendingen die ooit nieuw waren, gewoon of zelfs platgetreden zijn geworden: `Veel populieren en olmen bewogen zachtjes hun blaren / boven ons hoofd, en dicht in de buurt, uit de grot van de Nymfen, / stroomde het heilige water met ruisende klank naar beneden'. We kennen die lieflijke plek uit de poëzie nu wel, denkt men misschien. Toch vindt wie op zoek gaat naar Theokritos een hoogst oorspronkelijk dichter. Weg dus met Theocritus? Nee. Want het enorme Nachleben is aan de andere kant ook een terecht compliment aan de dichter, en de weerklank maakt het lezen van zijn werk, toch al een feest, ook tot een feest van herkenning.

Over de dichter zelf is weinig meer bekend dan dat hij uit Syracuse op Sicilië kwam, iets met het eiland Kos had, hoogstwaarschijnlijk in Alexandrië (met de toen vers beroemde bibliotheek) werkte, en leefde in de eerste helft van de derde eeuw voor Christus. Zijn poëzie is tegenwoordig bij een groter publiek nauwelijks meer bekend. De Nederlandse lezer kan deze lacune nu aanvullen, dankzij een vertaling van Marietje van Erp, emeritus hoogleraar Griekse letterkunde en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, die besloten heeft haar pensioen nuttig en aangenaam te besteden.

Theokritos is wat men noemt een hellenistische dichter. Hellenistische dichters worden nauwelijks op scholen gelezen omdat ze zo moeilijk zijn en omdat ze net na de grote bloeitijd leefden: ze vallen daarmee ten onrechte buiten de klassieke canon. Hellenistische poëzie wordt in de literatuurgeschiedenis bijeengehouden door de gemene delers van verfijndheid, geleerdheid, aandacht voor vorm en nadruk op kwaliteit ten opzichte van kwantiteit. Het eerste gedicht uit Theocritus' oeuvre brengt die delers karakteristiek subtiel bijeen. Een geitenhoeder biedt schapenhoeder Thyrsis in ruil voor een lied een beker aan die hij prijzend beschrijft. Naast andere dingen is er een wijngaard op afgebeeld, `prachtig beladen met donkere trossen,/ Daar houdt een jongen, een kind nog, de wacht, op een muurtje gezeten. Verder twee vossen, één links en één rechts van de jongen. De ene/ gaat de wijnstokken langs en plundert de druiven. De ander, zinnend op allerlei listen, is niet van plan om te rusten voor hij de etenstas van de jongen geroofd heeft./ Hij evenwel vlecht een kooitje, een prachtig verblijf voor zijn krekels, asfodilstengels met biezen verbindend; de tas en de planten/ zijn van minder belang dan het grote plezier in zijn vlechtwerk.'

De concentratie van het ventje doet denken aan de beroemde `Doornuittrekker', een beroemd hellenistisch beeld. In hellenistische kunst komt in de plaats van de heroïek van de homerische helden dikwijls het intieme tafereel uit het dagelijks leven. De natuur en het dagelijks leven zaten wel ook al in Homerus, maar dan verstopt in een hoekje: het hoekje namelijk van de homerische vergelijkingen, die midden in het krijgsrumoer de wereld van de natuur, of de vrouw, of het kind oproepen. Theokritos nu heeft de homerische vergelijking `binnenste buiten' gekeerd, en het materiaal uit die vergelijkingen tot zijn hoofdonderwerp gemaakt (hij gebruikt ook het homerisch metrum). Zo kapitaliseert hij op het beste uit de traditie, klein maar fijn.

Maar uit de onbaatzuchtige aandacht van het ventje is meer te halen: het vervlechten van natuurlijk materiaal verbeeldt ook de kunstige schoonheid van het gedicht. Weliswaar weet misschien alleen een geleerde dat de krekels die de jongen gaat houden door Plato zijn omschreven als gemetamorfoseerde dichters, die geen eten meer nodig hadden en voor wie het volstond om altijd te kunnen zingen (door `krekel' in plaats van `sprinkhaan' te vertalen, benadrukt Van Erp deze parallel). Maar Theocritus draagt zijn geleerdheid licht.

Toch is het jongetje geen krekel, maar hij vlecht er een kooitje voor. De dichter vangt andere dichters, en de krekels zitten dus in zijn gedicht: het zijn de personages die hij sprekend opvoert (en die, ook al zijn het herders, bij Theokritos dikwijls de taal van grote literaire voorgangers spreken). Hun krekelzang is in haar welluidendheid anderzijds ook een reflectie van de klanken van de natuur. En die zang biedt troost, omdat het werk de aandacht afleidt van de ellende van het leven: verfijnder kan het niet.

Het Grieks waarin dit roerende vignet wordt geschetst is dan weer hondsmoeilijk, en klinkt vreemd uit de mond van een geitenhoeder. Samengevat: de briljante beeldende kracht van Theocritus is gehuld in een web van misleiding: kinderlijke eenvoud wordt intens complex. Die complexiteit zit verborgen in de huls van de poëzie, zoals de beschrijving van de beker is ingebed in Theokritos' eerste Idylle: telkens opnieuw duikt Theokritos weg in lagen van illusie, telkens blijkt het plaatje een dieper liggend plaatje te bevatten.

Theocritus is de uitvinder van de pastorale, een tegenwoordig vergeten, maar eeuwen lang toonaangevend genre in de kunsten. Dichten en schilderen over herders, herderinnen en hun liefdesverdriet was tot diep in de negentiende eeuw één van de meest gepraktiseerde artistieke varianten. Ons woord idylle is van die populariteit een laatste, stille getuige. Stil, want het spreekt de waarheid niet. Theokritos' gedichten, die trouwens voor het merendeel niet over herders gaan, werden wel idyllen, kleine vignetten, genoemd, maar idyllisch zijn ze lang niet altijd.

Het pastorale genre is in de traditie langzamerhand steeds verder af komen te staan van zijn oorsprong, en meer en meer vehikel geworden voor weemoed naar onvervulbare eenvoud in een steeds complexer en onnatuurlijker bestaan. Marie-Antoinette speelde vlak voor de Franse Revolutie met haar vriendinnen in de tuinen van Versailles graag herdertje, gekleed in passend tenue, terwijl het geteisem buiten de messen sleep. Als talk op een pruik, werd de pastorale bestoven met onwerkelijke poedersuiker.

Wie echter in de vijfde Idylle leest `toen ik me drong in je kont; dat was pijnlijk voor jou en mijn geiten / mekkerden hard toen de bok ze de een na de ander doorboorde', weet dat de dichter meer pijlen op zijn boog heeft. Daarop doelt Van Erp ongetwijfeld als zij (of haar uitgever) op de flaptekst dreigend meldt dat Theocritus' poëzie `zeker niet lieflijk is'. In de bewonderenswaardig beknopte en deskundige inleidingen (op de gehele collectie en de gedichten afzonderlijk) zet zij het probleem genuanceerder uiteen. Toch gooit zij met haar nadruk op een niet-liefelijke Theocritus het kind met het badwater weg. Want de evidente noodzaak van een correctie op de zoetheid van Theocritus, verleidt haar tot een haast onpoëtische revisie van de brontekst, die Theokritos te prozaïsch maakt en de lieflijkheid, die er wel degelijk is, niet genoeg ruimte geeft.

Niet zo zeer lieflijk als wel ontroerend is Theocritus als haast geen andere dichter uit de Oudheid. En haast altijd zit die blanke pit in een merkwaardig ruwe bolster. Het mooiste voorbeeld daarvan is de cycloop Polyphemus, hopeloos verliefd op de nimf Galatea, die zingt om zich te troosten: `Jij, nog blanker dan kwark om te zien, zo zacht als een schaapje, / mooier van glans dan een druif die nog rijpen moet, dartel als kalfjes, / zeg me: waarom?' Een recensent viel over de vertaling `kwark' (Grieks: pakta), die mijns inziens niet alleen correct, maar ook gepast is. Het wonder is juist, dat de kwark poëzie maakt. Niet het barbaarse uiterlijk van de cycloop, noch de woorden die hij kiest zijn lieflijk. Maar juist daardoor wordt wat hij zegt dat wél. Want daar blijkt het grote verdriet van de reus uit, verdriet dat des te meer ontroert, omdat het, net als bij beschaafde mensen, laat zien dat door de liefde wetten en praktische bezwaren ook door Polyphemus' ene, alziende oog niet meer gezien worden. Theokritos maakt zo zijn monster lief, complex en menselijk door ironie. Die ironie, een van de meest imponerende kwaliteiten van de gedichten, gaf ook bij zijn meeste navolgers alras geen pas meer. Maar navolgers of niet, Theocritus staat op zichzelf, haast op eenzame hoogte.

Het is, zoals Van Erp terecht opmerkt, eenzijdig om Theokritos slechts te zien als de uitvinder van de pastorale, want hoewel de gedichten over herders tot zijn mooiste horen, zijn die niet in de meerderheid. Wij maken kennis met arbeiders en vorsten, verlaten vrouwen en wanhopige minnaars. Het hoogtepunt van deze bonte verzameling karakters, zijn twee in Alexandrië wonende huismoeders, Gorgo en Praxinoa, zonder man of kind op een uitje. Voor het vertrek, kankert Praxinoa in het bijzijn van haar zoontje op haar afwezige man. Gorgo antwoordt: `Liefje, praat toch niet zo over Dino je man, als de kleine / vlak in de buurt is. Je ziet toch wel, mens, hoe verschrikt hij je aankijkt? / Kalm maar Zopurion, kalm maar, lief kind, het gaat niet om papa./ Praxinoa: Grote godin, de jongen begrijpt het! Gorgo: Papa is braaf hoor.' De passage, en de hele Idylle, is zo raak, zo tastbaar, geschreven met zo'n genereus gemoed, als weinig andere in de Griekse literatuur. Wat Theokritos heeft, is wat de Grieken charis noemen: dat wat mensen en dingen mooi maakt, dierbaar maakt, behartigenswaardig maakt, de gulheid van een gift, en de intensiteit van de daarvoor verschuldigde dank.

Theokritos wist dit, want in de zestiende Idylle vergelijkt hij zijn eigen gedichten met de godinnen der bevalligheid, de Chariten (Latijn: Gratiën). Zij bieden zich aan, maar als de beoogde opdrachtgever zich niet toeschietelijk betoont, keren ze knorrig en nurks terug naar huis, om plaats te nemen in de lege koffer waar Charis (dankbaarheid, ook in de vorm van financiële beloning) in zou moeten zitten, maar waarin nu slechts zijn vergeefse gedichten, gepersonifieerd als Chariten, met opgetrokken knieën chagrijnig zitten te zijn. Dat beeld is des te treffender, omdat behalve Aphrodite alleen de Chariten toen nog naakt werden afgebeeld in de beeldhouwkunst: ze hebben het koud. Zoiets kan alleen Theokritos bedenken.

Van Erp heeft waardevol werk verricht en betoont zich een groot kenner van het werk van Theokritos. Toch is haar vertaling niet in alle opzichten geslaagd. Nadrukkelijk tracht zij, zoals gezegd, de vreemdheid van het origineel getrouw weer te geven. Dat doet ze bijvoorbeeld door Theokritos' metrum nauwgezet te volgen. Maar de Nederlandse hexameter loopt niet prettig, steekt ongunstig af bij de souplesse van het origineel, en leidt tot geforceerde wendingen, zoals `hoeder van geiten' als aanspreekvorm. Als classica gebruikt de vertaalster bovendien voor het Nederlands (te) vaak onnatuurlijke participia en inversies. Enjambementen zijn dikwijls stroef, en de dictie mist de grillige speelsheid die het origineel zo ongewoon poëtisch maakt. Zij zal wellicht tegenwerpen dat de onnatuurlijkheid die van dit alles het gevolg is, een bewuste evocatie van de kunstmatigheid van het origineel beoogt te zijn. Maar het is dan ongelukkig dat die onnatuurlijkheid nu juist tot uitdrukking komt in het gebruik van `classici-Nederlands': ze lijkt zo Theocritus te gebruiken om te laten zien wie Theokritos was.

In mijn ogen heeft Van Erp haar dichter dan ook niet helemaal kunnen vangen. Maar daar moeten nadrukkelijk haar grote kennis en meticuleuze zorg tegenover worden gesteld. En al is de vertaling dikwijls te zwaar op de hand, daar staat weer tegenover dat ze in de verhevener passages juist wél is geslaagd, daar waar de vertaalster, die een specialiste is op het gebied van de antieke tragedie is, zich het best lijkt thuis te voelen. We moeten haar dankbaar zijn, want ze laat ons niet alleen meegenieten met, maar ook nadenken over de vreemdheid van deze unieke teksten.

Theokritos: Idyllen en epigrammen. Vertaald door Maria van Erp Taalman Kip. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 162 blz. €27,50

Gerectificeerd

Theokritos

Het fragment uit de Idyllen en epigrammen van Theokritos bij de bespreking van David Rijser (Boeken, 19.03.04) is helaas verminkt afgedrukt. Hieronder volgt de correcte tekst:

Kalm zal de overtocht zijn voor Ageanax naar Mytilene,

ook wanneer 's avonds de Bokjes te zien zijn en wind uit het zuiden

voortraast over het nat van de golven, de tijd dat Orion

leunt met zijn voeten op zee, als hij Lycidas weet te verlossen

uit Afrodite's vuur, want mijn passie voor hem is verterend.

IJsvogels zullen de golven, de zee en de winden kalmeren,

winden uit zuid en oost, die het wier op de bodem doen beven,

ijsvogels, die bij de Nymfen in blauwgroene diepte en alle

jagers op buit in zee het meest van de vogels geliefd zijn.

Niets dan geluk vergezelle Ageanax, nu hij een schip zoekt

naar Mytilene; hij moge zijn haven veilig bereiken.

Als dat geschied is zal ik die dag, met een krans om mijn slapen

waar violieren, dille of rozen doorheen zijn geweven,

uitgestrekt bij het vuur, Pteleatische wijn uit het mengvat

scheppen, terwijl iemand anders geroosterde veldbonen klaarmaakt.