Voorkom samenwerking tussen ETA en Al-Qaeda

De Spaanse regering moet nu de kans aangrijpen om met een gedesoriënteerde ETA rond de tafel te gaan zitten, meent Ger Groot.

Een week na de aanslagen op de treinen in Madrid spreekt niemand meer over de Baskische afscheidingsbeweging ETA of over het feit dat deze beweging de verantwoordelijkheid voor de aanslag draagt, zoals aanvankelijk in Spanje werd gevreesd.

Terwijl de rest van de wereld zich in de eerste uren na de explosies met angst afvroeg of Al-Qaeda er niet achter zat, werd daar in Spanje al snel stilzwijgend een beetje op gehoopt. Terrorisme houd je het liefst zo ver mogelijk van het eigen bed, en het hemd van het ETA-geweld is Spanje nader dan de rok van een mondiale islamitische dreiging.

Nu alles erop wijst dat Al-Qaeda verantwoordelijk is voor de aanslagen, betekent dit echter niet dat de ETA door de gebeurtenissen van vorige week niet wordt geraakt. De gevolgen zijn voor de Baskische organisatie ingrijpend, al worden ze momenteel (nog) overschaduwd door de internationale commotie rondom het moslimterrorisme. In vergelijking daarmee lijken de aanslagen van de ETA plotseling relatief onnozel. De beweging is op haar eigen terrein op een niet te evenaren wijze overtroefd. Het is niet ondenkbaar dat ook de ETA verbijsterd is over de Madrileense massaslachting.

Of ze dat lang zal blijven is zeer de vraag, maar dan nog moet de organisatie zich de vraag stellen: wat nu? Al-Qaeda heeft met de aanslagen op de treinen een morbide standaard gezet die de ETA wellicht niet voor mogelijk en in ieder geval niet voor wenselijk gehouden had, maar in het licht waarvan ze wel moet opereren.

Logistiek is ze tot een een soortgelijke aanslag waarschijnlijk niet in staat en politiek is iedere poging daartoe ondenkbaar. Ze zou het laatste restje krediet verspelen dat haar nog rest, als een organisatie die zich van een dergelijke barbarij in ieder geval verre heeft gehouden. Het moet haar nog heugen hoe gevoelig ze zich vijftien jaar geleden met haar meest moorddadige aanslag op de Barcelonese supermarkt Hipercor – ruim twintig doden – in de vingers sneed.

In het ergste geval zal de ETA dus niet veel meer kunnen doen dan, desnoods na een kort respijt, opnieuw het dagelijkse terrorisme op te pakken waartoe zij de afgelopen jaren haar toevlucht heeft genomen. Maar veel perspectieven biedt dat niet.

Spanje heeft er inmiddels mee leren leven als met een taai ongerief dat met eenzelfde fataliteit toeslaat als de onveiligheid van het verkeer. Aanzienlijk dramatischer zijn de gevolgen voor Baskenland zelf, waar het sociale en vooral het politieke leven zwaar onder de dagelijkse dreiging lijden, maar waar de steun voor de ETA onder 10 à 15 procent van de bevolking nog altijd relatief groot is.

Dankzij een intensief opsporingsbeleid en een goede samenwerking met Frankrijk heeft de regering-Aznar de beweging de afgelopen jaren zware klappen toegebracht. Maar haar aankondiging dat het einde van de ETA nabij is, lijkt rijkelijk voorbarig.

Wie de Spaanse geschiedenis van de afgelopen twintig jaar overziet, hoort dergelijke geluiden met de regelmaat van de klok opklinken, als de kroniek van een aangekondigde dood die nooit komt. De oorzaak van dat misplaatste optimisme ligt in een systematische onderschatting van de actieve en passieve aanhang die de ETA geniet.

Wellicht heeft die steun door de recente gebeurtenissen een knauw gekregen, maar lang zal ook dat niet duren. Hoe onbegrijpelijk deze aanhang voor niet-Baskische (en ook veel wél-Baskische) Spanjaarden ook mag zijn, het is een feit waar de politiek rekening mee moet houden. Met politionele en militaire terreurbestrijding wordt deze aanhang niet weggenomen en zal men het in sommige gevallen zelfs versterken. Bij polarisering voelt een terroristische beweging zich gewoonlijk als een vis in het water.

De grote vergissing van de regering-Aznar is niet geweest dat zij militair-politioneel de confrontatie met de ETA heeft gezocht, maar wel dat zij de politieke polarisatie heeft uitgebreid naar alle nationalistische partijen in Spanje. Ze kon dat doen, omdat ze op landelijk niveau beschikte over een ruime regeringsmeerderheid en niet, zoals in haar eerste regeerperiode, afhankelijk was van de steun van de gematigde nationalisten. Deze arrogantie heeft geleid tot een krampachtigheid waarin beide groepen – ook in de Spaanse samenleving als geheel – onverzoenlijk tegenover elkaar kwamen te staan.

Men kan het Baskische terrorisme niet duurzaam verslaan zolang daarvan de voedingsbodem niet is weggenomen. Wat dat betreft heeft de regering-Aznar de afgelopen jaren politiek evenveel verspeeld als het politioneel gewonnen heeft. Een actief opsporingsbeleid moet hand in hand gaan met een dialoog met het gematigd nationalisme en uiteindelijk wellicht met de ETA zelf.

Net als in Noord-Ierland kan het Baskische conflict alleen worden beëindigd met een akkoord en met onderhandeling: niet over de politieke eisen van de ETA maar wel over een exit-strategie voor haar leden en eventueel zelfs een vorm van amnestie.

Dat laatste is juridisch en moreel moeilijk te verkroppen, maar hierin heeft de politiek haar eigen afwegingen te maken. Te allen tijde moet worden voorkomen wat nu nog onwaarschijnlijk lijkt: een samenwerking tussen ETA en Al-Qaeda of een van haar splinterbrigades. Ideologisch lijkt dat vrijwel ondenkbaar, maar ook in het terroristisch management krijgt de logistiek wel eens de overhand op het idee.

De nieuwe socialistische regering staat voor de hondsmoeilijke taak het bestrijdingsbeleid van de regering-Aznar voort te zetten en tegelijk de politieke verkramping rond het nationalisme in Spanje te doorbreken.

Het feit dat zij slechts een relatieve meerderheid bezit is daarbij een blessing in disguise. De minderheidsregering die zij wil gaan vormen, zal het op het beslissende moment niet kunnen stellen zonder de gedoogsteun van minstens één nationalistische partij.

Aan de andere kant openen de logistieke zwakheid en morele verwarring waarin de ETA zich op dit moment moet bevinden, een kans voor hernieuwde gesprekken.

Aanvankelijk zullen we daar weinig van kunnen merken, want voor openbaarheid is het in het huidige Spanje nog te vroeg. Juist nu is het moment daar voor een discrete diplomatie, waarin een verzwakte en gedesoriënteerde ETA zich ontvankelijk kan tonen voor een regering die wel politioneel maar niet politiek uitsluitend de confrontatie zoekt.

In ieder geval zal Spanje zich moeten verzetten tegen buitenlandse druk die iedere terroristische beweging gelijkschakelt aan Al-Qaeda en daartegenover een eenvormig, onbuigzaam optreden eist. Terrorisme heeft misschien het eenvormige gezicht van de verschrikking, maar daarachter gaat geen eenvormige inslag schuil.

Zolang ETA nog kan rekenen op de hulp van honderdduizenden Basken die haar steunen op haar eigen grondgebied, is zij onvergelijkbaar met Al-Qaeda en vraagt de strijd tegen haar, minstens voor een deel, om andere methoden. Dwingt men de laatste tot uniformiteit, dan riskeert men op termijn de vorming van een al even uniforme terroristische internationale.

Ger Groot is filosoof en publicist.