Pronk versus Verdonk

De woordenstrijd tussen minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) en oud-PvdA-minister Pronk heeft een diepere betekenis dan alleen maar een Haagse dorpsruzie tussen twee koppige mensen. Pronk, nu voorzitter van Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON), spreekt van ,,deportatie'' in verband met het voornemen van de minister om afgewezen asielzoekers gedwongen uit te zetten naar landen die door de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties als onveilig worden bestempeld. Dit is de minister in het verkeerde keelgat geschoten. Zij eist dat de voorzitter van de vluchtelingenkoepel dat woord terugneemt omdat de term zwaar beladen zou zijn met connotaties die verwijzen naar het lot van de joden in de Tweede Wereldoorlog. Zolang Pronk dit niet doet, wil zij niet meer overleggen met VON. Pronk weigert zijn woorden in te slikken.

Het heeft er alle schijn van dat het hier gaat om een conflict dat gevoed wordt door een niet geringe incompatibilité d'humeur van de beide hoofdrolspelers. Pronk, die in liberale ogen wel het laatste restant moet zijn van het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977), kan worden verweten dat hij niet zozeer de belangen van de vluchtelingen verdedigt als wel zijn eigen gekwetste ego inzet maakt van een onverkwikkelijke prestigestrijd. Zijn oproep aan de Tweede Kamer, afgelopen zondag in het tv-programma Buitenhof, om in te grijpen en daaraan gekoppeld zijn boodschap dat hij anders vanavond zou aftreden had het karakter van een ultimatum. Verdonk toont zich ook in deze kwestie onverzettelijk. Maandag zei de minister dat zij het ,,verstandig'' zou vinden als Pronk de daad bij het woord voegde.

Hoe men ook denkt over de woordkeuze van Pronk, het is de vraag of de minister de principiële kant van de kwestie goed heeft doordacht. VON, de koepel van vluchtelingenorganisaties, is niet zo maar een lobbygroepje. Het is de belangenbehartiger en spreekbuis van vluchtelingen in Nederland en door de Wet Overleg Minderheden aangewezen als overlegpartner van de rijksoverheid. Dat begrenst de mogelijkheden van de bewindspersoon om al te zeer haar wil door te drijven. Toen de kwestie voorbijkwam, tijdens een debat dinsdag in de Tweede Kamer, legde Verdonk uit dat Pronk door zijn woordgebruik ,,de integriteit van het beleid en de integriteit van de ambtenaren die dat moeten uitvoeren in twijfel trekt''. Hier spreekt de minister als voorzitter van de ondernemingsraad. Terecht stelde het Kamerlid Vos (GroenLinks) tijdens het debat de vrijheid van meningsuiting aan de orde en de vrijheid van organisaties om hun eigen voorzitter te kiezen. Pronk heeft het recht als vertegenwoordiger van de Nederlandse vluchtelingenorganisaties zijn eigen woorden te kiezen. Het past een minister niet om onwelgevallige gesprekspartners naar believen uit te schakelen. Laat zij ervoor zorgen dat haar argumenten beter zijn.