Pak toppensioenen en tophypotheken aan

De lastendruk loopt zorgelijk op. Daarom is het verstandig de hoge inkomens zwaarder te belasten, meent Leo Stevens.

Een kabinet dat normen en waarden hoog in het vaandel heeft, moet evenwichtig bezuinigen. Dat was in de afgelopen Miljoenennota lang niet altijd het geval. Aan de onderkant van het

inkomensgebouw vielen rake klappen. Nu in de Voorjaarsnota verder gaande bezuinigingen worden uitgewerkt, moet ook gekeken worden naar de belastingfaciliteiten voor de topinkomens. Toppensioenen en tophypotheken kunnen niet buiten discussie blijven.

De kernproblemen zijn bekend. Vergrijzing en `ontgroening' trekken een zware wissel op het stelsel van de sociale zekerheid, pensioenen en zorg. De arbeidsproductiviteit van BV Nederland is in de versukkeling geraakt. De internationale concurrentiepositie brokkelt af en Nederland is al lang niet meer het aantrekkelijke vestigingsland dat het ooit is geweest. Met

name aan de onderkant van het loongebouw loopt de lastendruk zorgelijk op.

Er is minder vraag naar arbeid. Minder werkers betekent minder draagvlak voor sociale zekerheid. Aan de onderkant van het loongebouw is werken veelal minder aantrekkelijk dan een uitkering. Er moet dus zwaar worden ingezet op arbeidsparticipatie. Daarom valt niet te ontkomen aan vermindering van de belasting- en premiedruk.

Collectieve voorzieningen moeten soberder. Daarom moet we kritisch kijken naar de Ziekenfonds- en AWBZ-voorzieningen en mag de bijstand geen hangmatvoorziening zijn. Sommige sociale `verworvenheden' moeten weer opnieuw worden verdiend. Het is niet anders.

Maar opvallend is hoe gemakkelijk de hoge inkomens steeds buiten schot blijven. De in die groep haalbare versoberingen hebben, naar het schijnt, de status van een politiek taboe of worden gedoogd vanwege het geloof in de marktwerking.

Een actueel voorbeeld is de nogal scherpe reactie op het PvdA-voorstel om de premieaftrek voor hoge pensioenen te beperken. Er valt echter wel wat te zeggen voor dit voorstel, zeker in het perspectief van de door het kabinet zelf aangezwengelde discussie over prepensioen en levensloop.

Opgebouwde pensioenaanspraken worden belast als de pensioengerechtigde zijn uitkering ontvangt. Dat principe wordt Europabreed toegepast. Zodoende kunnen de uitkeringsrechten worden gevormd uit onbelast loon. Dat is een belangrijke stimulans voor de pensioenopbouw. Maatschappelijke opvattingen en de betaalbaarheid bepalen de hoogte van het pensioen en de omvang van de fiscale pensioenfaciliteit.

Opvallend is dat in het huidige pensioendebat het belastinguitstel nadrukkelijk als een tegemoetkoming wordt gepresenteerd. Belastinguitstel voor pensioenaanspraken blijkt minder vanzelfsprekend geworden. Zo stelt het kabinet dat de uitbundige uitstroom van jongere ouderen moet worden afgeremd door de gunstige fiscale regelingen voor VUT en prepensioenen in te tomen. Dat wordt afgedwongen door belasting te heffen over de aanspraak en de werknemerspremies niet meer in de aftrek toe te laten.

Voorts moet uit de bestaande pensioenruimte de door het kabinet als paradepaardje bereden levensloopfaciliteit worden opgebouwd.

Het is de vraag of dergelijke kortademige beleidsingrepen en bewerkelijke beleidsalternatieven niet contraproductief zullen uitpakken.

Bovendien kan het in tijden van (jeugd)werkloosheid verstandiger zijn om op de arbeidsmarkt voorrang te geven aan de jongeren. Werkervaring en structuur in hun leven is van groot maatschappelijk belang. Vervroegd pensioen, al dan niet in deeltijd, schept daarvoor de gewenste toetredingsruimte.

Trouwens, nog amper vijf jaar geleden moest zo nodig nog elke pensioenregeling worden geflexibiliseerd. Toen mocht de pensioengerechtigde niet meer worden vastgepind op een vaste pensioenleeftijd. De pensioengerechtigde moest de mogelijkheid krijgen een eerder ingaand pensioen te ruilen voor een lagere pensioenuitkering (en omgekeerd). Voor vervroegd pensioen moest worden betaald.

Deze ombouw, gecombineerd met de overstap van het dure eindloonstelsel naar het maatschappelijk beter houdbare middelloonstelsel, getuigt van een goed ontwikkeld verantwoordelijkheidsbesef bij de sociale partners. Het is daarom niet gewenst hen op het pensioendossier te schofferen. Recente ontwikkelingen wijzen erop dat ook het kabinet zich dat begint te realiseren.

Maar als het nodig is het prepensioen ter discussie te stellen, omdat de belastingfaciliteit te fors uitvalt, is het maximeren van de pensioenpremieaftrek, zoals de PvdA voorstelt, een redelijk alternatief. Waarom zou, zo kan worden betoogd, de belastingfaciliteit verder moeten strekken dan voor een adequate oudedagsvoorziening nodig is?

In tijden van versobering is het legitiem de gefacilieerde opbouw aan een loongrens te binden. De aftoppingsgrens is uiteraard arbitrair. Bijkomend voordeel is dat een dergelijke beperking het verlies aan belastingopbrengst door emigratie vermindert. Als gepensioneerde werknemers emigreren, verliest Nederland veelal zijn mogelijkheid om over de uitkeringen belasting te heffen. Bij hoge inkomens is de belastingderving door emigratie het grootst.

Analoog aan deze aftrekbeperking kan ook de verplichte deelname in pensioenregelingen tot dat loonniveau worden beperkt. Slechts tot een bepaald loonniveau vervullen dwingende solidariteitsregels een maatschappelijk gewenste waarborgfunctie.

Daarboven kan iedereen voor het surplus zijn eigen keuzes maken. Men zal dan ook zelf de prijs van zijn gewenste

zekerheid betalen. Dit kan een aantal pensioendilemma's verlichten.

Andere bezuinigingsmogelijkheden liggen in het regime voor de eigen woning. Ook daar valt moeilijk uit te leggen waarom de fiscale voordelen van de hypotheekrenteaftrek groter moeten zijn naarmate het inkomen hoger is. Eigenwoningbezit verdient maatschappelijke ondersteuning.

Maar ook hier zijn er grenzen. Zolang een fundamentele herziening niet bespreekbaar is, kan een voorlopige voorziening worden getroffen. Het is fiscaal-technisch eenvoudig te regelen dat het negatieve inkomen uit de eigen woning voor zover dat uitgaat boven een bepaald bedrag (zeg 25.000 euro) niet meer tegen 52 procent, maar tegen 42 procent aftrekbaar is.

Een andere excessieve fiscale begunstiging genieten de uit het buitenland aangetrokken managers, sportlieden en andere personen met `schaarse' deskundigheid. Zij hoeven slechts over 70 procent van hun salaris belasting te betalen en zijn vrijgesteld van belasting over vermogensinkomsten. Dat kan soberder. De 30-procent-aftrek kan gemaximeerd worden tot een bepaald bedrag (zeg 50.000 euro).

Het zijn allemaal geen nieuwe bezuinigingsvoorstellen. Ook zullen ze budgettair niet spectaculair zijn, want er zijn verhoudingsgewijs maar weinig belastingbetalers met zeer hoge inkomens. Maar ze brengen wel tot uitdrukking dat de noodzaak om te bezuinigen voor iedereen geldt.

Leo Stevens is hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.