In Kosovo is het nog steeds 1999

In Kosovo is in vijf jaar veel gebeurd, maar het belangrijkste is uitgebleven: van verzoening is geen sprake. De geloofwaardigheid van het VN-bestuur ligt na gisteren aan duigen.

,,We zijn terug in 1999'', verzuchtte gisteren een hoge woordvoerder van de VN-politie in Kosovo. Wellicht is het beter te concluderen dat het nog steeds 1999 is: in de bijna vijf jaar die zijn verstreken sinds de oorlog die de NAVO om Kosovo tegen het toenmalige Joegoslavië van Slobodan Miloševic voerde, is de provincie geen stap verder gekomen waar het etnische verzoening betreft.

Na de oorlog moesten het Joegoslavische leger en de Servische politie midden 1999 Kosovo ontruimen. Meer dan 200.000 Servische en Roma-inwoners vluchtten of werden verdreven, het Kosovo-Bevrijdingsleger UÇK, dat het Servische gezag had bestreden, werd ontbonden en er kwam een VN-bestuur, UNMIK. Het politieke proces kwam aardig op gang – UNMIK is de baas, maar er kwamen verkiezingen, er kwamen een Kosovaars parlement en een Kosovaarse regering, zelfs met een Servische minister, niet-gouvernementele organisaties (ngo's) streken neer, het grote geld begon te rollen en er kwam een proces van wederopbouw.

En daar, bij die buitenkant, is het zo'n beetje blijven steken, want van het allerbelangrijkste proces, dat tot verzoening van de twee grote etnische gemeenschappen, is het nooit gekomen. Wat in Bosnië stukje bij beetje bezig is te lukken, ontbreekt in Kosovo. De situatie van Kosovska Mitrovica, het epicentrum van de bloedige onlusten van gisteren, is symbolisch voor heel Kosovo. Aan de zuidkant van de rivier die de stad doorsnijdt, de Ibar, wonen de Serviërs – de oorspronkelijke inwoners plus vluchtelingen uit vroeger Servische dorpen in de omgeving – in een enclave, de grootste van Kosovo. Aan de zuidkant van de Ibar wonen de Albanezen. De brug, een brug van versperringen en prikkeldraad, wordt bezet door soldaten van de vredesmacht KFOR. Aan de Servische kant houden 24 uur per dag `bewakers' de brug in de gaten om erop toe te zien dat geen Albanees het in zijn hoofd haalt hem over te steken. Mitrovica is niet alleen het symbool van een verdeeld Kosovo, het is ook het symbool van het onvermogen van de VN en de NAVO een eind te maken aan de diepe verdeeldheid van de provincie.

Gisteren kwamen die Albanezen van Mitrovica die brug wel over, massaal. En toen in Mitrovica het geweld losbarstte, gebeurde dat ook elders in Kosovo: vrijwel alle enclaves, waar Servische burgers nu al vijf jaar onder speciale bescherming van KFOR-soldaten leven, werden bestormd door woedende Albanezen. Mensen werden doodgeslagen, huizen, kerken en kloosters in brand gestoken. Het was nog steeds 1999.

De gebeurtenissen van gisteren vormen het faillissement van de geloofwaardigheid van UNMIK, waarvan de huidige chef, de Fin Harri Holkeri, van tijd tot tijd roept dat wel degelijk sprake is van verzoening van de etnische gemeenschappen. Gisteren nog vertelde hij op de televisie dat de Serviërs (80.000) en de Albanezen (bijna twee miljoen) wel degelijk met elkaar in vrede willen samenleven. Nog dezelfde dag werd hij hardhandig in zijn hemd gezet.

In werkelijkheid leven de twee gemeenschappen van Kosovo permanent niet mét, maar naast elkaar. Er is geen onderling contact, er zijn geen gemeenschappelijke projecten, bedrijven, plannen. De Serviërs leven achter het prikkeldraad van KFOR in hun eigen enclaves, waar hun door de VN beloofde bewegingsvrijheid beperkt blijft tot doorgaans zo'n twee vierkante kilometer. In Priština woonden vroeger 45.000 Serviërs op een bevolking van 125.000 zielen – nu zijn het er 100 op een bevolking van 500.000. Het is het antwoord op de vraag of in Kosovo een multi-etnische samenleving mogelijk is.

Voor een belangrijk deel ligt de verantwoordelijkheid voor die permanente status-quo – dat jaar 1999 dat maar niet wil eindigen – in Kosovo bij de internationale gemeenschap. Zolang zij geen besluit neemt over de toekomstige status van Kosovo zal er in Kosovo op de grond geen doorbraak komen. Sinds het eind van de oorlog van 1999 houdt de internationale gemeenschap vast aan de bepaling in VN-resolutie 1244 (die voorzag in de vestiging van het VN-gezag) dat Kosovo onderdeel is van Servië. Over de toekomstige status van het gebied moet de Veiligheidsraad van de VN `later' beslissen.

Dat later wordt steeds later: jaar na jaar wordt het besluit over die toekomstige status niet genomen. De Albanezen wijzen een herstel van het Servische gezag – van welke politieke signatuur dan ook – categorisch af en eisen volledige onafhankelijkheid. De Serviërs eisen even hardnekkig dat Kosovo deel blijft uitmaken van Servië. De internationale gemeenschap dacht vorig jaar dat er misschien volgend jaar wel kan worden beslist, als er democratie bestaat in Kosovo, als er mensenrechten zijn, en een rechtsstaat, en als er véél is gepraat met en tussen de regeringen in Belgrado en Priština.

Inmiddels weet iedereen dat de Serviërs nooit meer de dienst zullen uitmaken in Kosovo. Ook in Servië weten velen dat – maar niemand geeft het toe en niemand durft het hardop te zeggen: een politicus die het wel durft tekent het politieke doodvonnis van zichzelf en zijn politieke partij. Kosovo is de ziel van Servië, elke twijfel daaraan is ondenkbaar.

De internationale gemeenschap durft evenmin hardop te zeggen dat het Servischgezag in Kosovo nooit meer kan worden hersteld en durft dus ook niet te besluiten Kosovo met zoveel woorden de weg van de onafhankelijkheid op te sturen. Zij zit niet te wachten op verdere fragmentatie en wéér een weinig levensvatbaar nieuw land op de Balkan. Bovendien: zij vreest dat als Kosovo onafhankelijk mag worden, de Montenegrijnen, de Bosnische Serviërs, de Macedonische Albanezen zich aangemoedigd voelen grenswijzigingen te eisen. Zelfs territoriale autonomie voor de Serviërs in Kosovo zit er niet in, want nieuwe grenzen, zelfs binnen een regio, zijn taboe.

En dus blijft alles ongewis. En dus blijft ook die status-quo. De Kosovo-Albanezen zijn ongeduldig, gefrustreerd en steeds bozer op de internationale gemeenschap. En onder de Serviërs in en buiten Kosovo worden illusies in stand gehouden. Zekerheid over de toekomst zou de stemming onder de Albanezen drastisch veranderen en Serviërs die onder geen beding in een onafhankelijk Kosovo willen wonen de gelegenheid geven zich te bekommeren om een toekomst in Servië. Het zou het proces van verzoening althans een soort kans kunnen geven. Die heeft het deze vijf jaar niet gehad.