De sociale rechtsstaat moet behouden blijven

Het is goed dat de Kamer debatteert over de rechtsstaat, maar helaas ontbreekt bezinning op de vraag wat de publieke taken zijn die aan de overheid zijn voorbehouden en valt te vaak de term `efficiency', vindt André Rouvoet.

Sinds kort wordt in de Tweede Kamer gedebatteerd over de nationale rechtsstaat, naar aanleiding van het recente WRR-rapport De toekomst van de nationale rechtsstaat. De wijze waarop het debat tot dusverre wordt gevoerd, stelt teleur. Dat heeft vooral te maken met de invalshoek die in het kabinetsstandpunt over dit rapport is gekozen: een benadering waarin niet zozeer een doordenking van de rechtsstaat centraal staat, als wel de noodzakelijk geachte afslanking van de verzorgingsstaat. Dat leidt tot een verplatting van de discussie, en dat is jammer.

Natuurlijk kan niemand ontkennen dat de verzorgingsstaat onbetaalbaar is geworden, of in elk geval dreigt te worden. Een overdaad aan regelzucht en een toenemend beslag op collectieve arrangementen, waaronder met name de sociale zekerheid, maken ingrepen noodzakelijk. Het is op zichzelf dan ook niet verwonderlijk dat – zeker in een tijd van economische teruggang – het publieke debat gedomineerd wordt door de vraag naar deregulering en een efficiënter werkende overheid. Vanuit de overheid wordt steeds meer een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de burger en zijn maatschappelijke verbanden, terwijl de overheid over de hele breedte van de samenleving een terugtrekkende beweging maakt.

Mijn bezwaar richt zich niet tegen het accentueren van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en maatschappelijke organisaties. Waar ik moeite mee heb, is dat stilzwijgend afscheid lijkt te zijn genomen van de idee dat de nationale rechtsstaat een sociale rechtsstaat is. Kenmerkend voor die sociale rechtsstaat is dat de taak van de overheid niet beperkt is tot het waarborgen van bepaalde vrijheidsrechten van de burgers, maar ook toeziet op het garanderen van bepaalde voorzieningen die de kwaliteit van het bestaan betreffen: de sociale grondrechten. Zowel in het kabinetsstandpunt als in het debat tot dusverre is vooral gesproken over de overheid die `te vet' zou zijn en minder zou moeten doen.

In commentaren is al terecht opgemerkt dat het kabinet niet verder komt dan ,,een algemeen pleidooi voor een sanering van bestuursregels en voor mooie termen als zelfregulering, zelfhandhaving en verinnerlijking van rechtsstatelijke beginselen''. Inderdaad valt op dat het kabinetsstandpunt bol staat van termen als `bezuinigingen', `verlaging van de lastendruk' en `kosteneffectiviteit'. De doordenking van het concept nationale rechtsstaat dreigt daarmee te verworden tot een efficiency-operatie. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Opmerkelijk was dat noch in het WRR-rapport, noch in het kabinetsstandpunt de term `sociale rechtsstaat' een rol speelde. Met name minister Donner reageerde op mijn vragen terzake zeer afhoudend. Dat was voor mij aanleiding om op mijn hoede te zijn. Want hoezeer ook erkend moet worden dat de verzorgingsstaat zoals wij die kennen te veel taken en verantwoordelijkheden naar zich toe heeft getrokken en aan een herijking toe is, onbetwistbaar is (althans: hoort te zijn) dat de in de Grondwet verankerde sociale grondrechten blijvend een positieve opdracht aan de overheid inhouden om te voorzien in de basisbehoeften van de burgers en zekere waarborgen te geven voor de ontplooiingsmogelijkheden van de burgers, teneinde sociale desintegratie tegen te gaan, óók (en misschien wel: juist) als er de noodzaak is om te bezuinigen. Dat heeft alles te maken met het gegeven dat de overheid meer is dan een efficiënt opererende bureaucratie: zij is ook schild voor de zwakken.

Hier schiet de benadering van het kabinet tekort: de rechtsstaatsidee zelf – in de zin van een sociale rechtsstaat – stelt grenzen aan de mogelijkheden tot privatisering, zelfregulering en zelfhandhaving. De fixatie op de (economische) noodzaak tot `afslanking' en deregulering leidt ertoe dat het kabinet te snel, te algemeen en nogal onkritisch spreekt over ,,het terugleggen van verantwoordelijkheden in de samenleving''. De weg van de verzorgingsstaat naar de nachtwakersstaat lijkt te zijn ingeslagen.

Wat ik mis is een bezinning op wat de publieke taken zijn die aan de overheid zijn voorbehouden. Te veel wordt de doelmatigheidsvraag centraal gesteld: `wat is efficiënt en kosten-effectief'? In dit verband wordt vaak vooral gesproken in termen van de `kerntaken van de overheid'. Belangrijker is de vraag wat de eigenlijke taken van de overheid zijn, die niet aan anderen kunnen worden overgelaten. Dat is de rechtmatigheidsvraag, waarbij in plaats van kwantitatieve keuzes eerst en vooral kwalitatieve keuzes worden gevraagd. Zie bijvoorbeeld het geweldsmonopolie van de overheid, `de zwaardmacht': het is toch glashelder dat dit niet kan worden uitbesteed aan particuliere organisaties, ook als dat goedkoper zou zijn?

Het kabinet kiest, gesteund door de coalitiepartijen, voor een functionele, om niet te zeggen een pragmatische benadering, waarbij de overheid een soort EHBO-functie vervult: als de samenleving het zelf niet aankan, is er altijd nog de staat om rechtsstatelijke pleisters te plakken.

Deze benadering is te mager en niet zonder risico's, aangezien hiermee ook wezenlijke elementen van de sociale rechtsstaat gemakkelijk op de tocht kunnen komen te staan. Tekenend is dat het kabinet weliswaar schrijft dat de rechtsstaat meer inhoudt dan de klassiek-liberale variant, maar daar geen eigen invulling aangeeft. Met erkenning van de noodzaak om de rechtsstaatidee regelmatig te herijken en zodoende levend te houden, moeten we er wel tegen waken dat we onder druk van de economische omstandigheden wezenlijke elementen en verworvenheden van de sociale rechtsstaat prijsgeven. De schade die daarmee in de samenleving wordt aangericht, zal zich niet eenvoudig laten herstellen.

André Rouvoet maakt deel uit van de Tweede Kamer en is fractievoorzitter van de ChristenUnie.